ECLI:NL:RBMNE:2024:7216

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
24 december 2024
Zaaknummer
UTR 24/1739
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na verlaging WOZ-waarde en intrekking beroep

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een WOZ-besluit van 24 februari 2023. Tijdens de procedure is overeenstemming bereikt over de WOZ-waarde, waarna verzoeker het beroep introk. Verzoeker vordert vervolgens vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar, omdat hierover geen overeenstemming bestond met de gemeente.

De rechtbank overweegt dat de gemeente tegemoet is gekomen aan het verzoek van verzoeker door de WOZ-waarde te verlagen, wat een situatie oplevert waarin proceskostenvergoeding mogelijk is op grond van artikel 8:75a en 7:15 Awb. De rechtbank wijkt daarbij af van het Besluit proceskosten bestuursrecht en volgt de recente jurisprudentie van de Hoge Raad.

De rechtbank stelt de proceskosten vast op €298,50 en veroordeelt de gemeente tevens tot vergoeding van het griffierecht van €51. De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat dit niet noodzakelijk werd geacht.

Uitkomst: De gemeente wordt veroordeeld tot betaling van €298,50 aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van €51,- aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1739

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

(gemachtigde: D. van der Locht),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [woonplaats], verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 30 mei 2024 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Verweerder heeft op 24 februari 2023 een besluit genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 21 mei 2024 heeft verzoeker aan de rechtbank medegedeeld dat hij overeenstemming met verweerder heeft bereikt over de waarde. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten in bezwaar. Over die proceskosten bestaat namelijk geen overeenstemming tussen verzoeker en verweerder. Verzoeker heeft in dit verband gewezen op de conclusie [A] (ECLI:NL:PHR:2024:335).
3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij in de bezwaarprocedure laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb in combinatie met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb).
4. Verweerder heeft op 30 mei 2024 gereageerd op het verzoek van verzoeker en aangegeven dat hij, in afwachting van een uitspraak van de Hoge Raad, alleen het bedrag volgens de geldende wettelijke normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wil vergoeden.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder tegemoet is gekomen aan verzoeker door de WOZ-waarde te verlagen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van een situatie als bedoeld in de artikelen 8:75a en 7:15, tweede lid, van de Awb.
6. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker in bezwaar die verweerder moet betalen vast op € 298,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 597,- en een wegingsfactor 0,5). Ten aanzien van de waarde per punt wijkt de rechtbank daarbij, in navolging van de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1060) af van het bepaalde in het Bpb.
7. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41 Awb Pro).

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 298,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan verzoeker te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van C.A.A.W. van der Heijden, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.