ECLI:NL:RBMNE:2024:7250
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WOZ-waarde vrijstaande woning en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, die door verweerder was vastgesteld op €555.000,- per 1 januari 2021. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door verweerder, stelde eiser beroep in bij de rechtbank. De rechtbank beoordeelde de aangevoerde bezwaren, waaronder de vergelijkbaarheid van referentiewoningen en de staat van onderhoud van de woning.
De rechtbank oordeelde dat verweerder met een taxatiematrix aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Verweerder had voldoende rekening gehouden met verschillen tussen de woning en referentieobjecten, en de staat van onderhoud was adequaat meegewogen. Eiser had zijn stellingen onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast stelde eiser een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank concludeerde dat de bezwaar- en beroepsprocedure samen langer dan twee jaar hadden geduurd, waardoor de redelijke termijn met zes maanden was overschreden. De rechtbank kende een forfaitaire schadevergoeding toe van €50,-, waarvan verweerder en de Staat ieder een deel moesten betalen.
De rechtbank veroordeelde verweerder en de Staat ook tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar eiser kreeg een beperkte schadevergoeding en proceskostenvergoeding toegekend vanwege de termijnoverschrijding.
Uitkomst: Beroep ongegrond, schadevergoeding en proceskosten toegekend wegens termijnoverschrijding.