De huurder heeft een kamer gehuurd van de verhuurder op basis van een huurovereenkomst die inging op 1 september 2023. De huurder vordert terugbetaling van €1.850,- aan teveel betaalde huur, de borg van €450,- en de vooruitbetaalde huur over februari 2024 van €370,- omdat zij de huurovereenkomst een maand eerder heeft opgezegd wegens een onveilige situatie.
De verhuurder betwist de vorderingen en stelt dat de huurprijs €600,- per maand bedraagt, dat de borg €400,- is en dat de huurder de huur over vijf maanden moet betalen. De kantonrechter stelt vast dat partijen een huurtermijn van zes maanden zijn overeengekomen met een eerste maand huur van €450,- en vijf maanden à €370,- per maand, vooruitbetaald. Uit bankafschriften blijkt dat de huurder tweemaal €1.850,- heeft betaald, waarvan één betaling teveel is.
Verder oordeelt de kantonrechter dat de huurder de tijdelijke huurovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van één maand mocht opzeggen per 1 februari 2024. De borg wordt vastgesteld op €450,- op basis van een bankafschrift en moet worden terugbetaald omdat de verhuurder geen aantoonbare schade heeft gesteld of bewezen. Kosten voor een slotenspecialist en een nieuwe fiets worden niet toegewezen omdat deze niet zijn onderbouwd of niet geloofwaardig zijn.
De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en niet-naleving van wettelijke vereisten. De verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van €2.670,- aan de huurder en de proceskosten van €698,-. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.