Eiseres, gedupeerde van het toeslagenschandaal, verzocht de minister van Financiën om overname van haar private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen. De minister wees dit verzoek af omdat de schuld niet opeisbaar was, een vereiste volgens artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd dat de schuld opeisbaar was. De rechtbank wees ook het betoog af dat toepassing van artikel 4.1 Wht in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel, vanwege het toetsingsverbod van de Grondwet.
Verder werd het beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1 Wht verworpen omdat eiseres geen schrijnende situatie kon aantonen die afweek van de wettelijke regeling. De rechtbank erkende de inspanningen van eiseres om betalingsachterstanden te voorkomen, maar vond dat dit niet tot afwijking van de regeling leidde.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht de overname van de schuld heeft geweigerd en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.