ECLI:NL:RBMNE:2024:7521

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2024
Publicatiedatum
14 februari 2025
Zaaknummer
23/6276
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen definitieve berekening zorg- en huurtoeslag 2020

Eiser stelde beroep in tegen het besluit van 3 november 2023 waarin de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over 2020 werd vastgesteld op nul en terugvorderingen werden opgelegd.

Dienst Toeslagen had echter op 4 juni 2024 een nieuw besluit genomen waarin aan eiser alsnog een hogere zorg- en huurtoeslag werd toegekend dan oorspronkelijk, inclusief wettelijke rente. Dit nieuwe besluit was aan eiser en zijn gemachtigde bekend voordat de zitting plaatsvond.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het eerdere besluit geen feitelijke betekenis meer kan hebben omdat eiser met het nieuwe besluit al het gewenste resultaat heeft bereikt. Het verzoek om uitstel van de zitting werd afgewezen wegens te late indiening.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang en wees zij het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Dienst Toeslagen handelde rechtmatig door het besluit te herzien op grond van gewijzigde inkomensgegevens.

De uitspraak werd gedaan door rechter M.I. van Meel op 19 december 2024 en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over de definitieve zorg- en huurtoeslag 2020 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6276

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en

Dienst Toeslagen, kantoor [gemeente]

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 3 november 2023 over de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over 2020.
1.1.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Verzoek om uitstel

2. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 6 november 2024 om 08.55 uur bij e-mailbericht verzocht om uitstel van de zitting, omdat hij nog niet in de gelegenheid is geweest om de brief van de rechtbank van 29 oktober 2024 met eiser te bespreken. In de brief van 29 oktober 2024 heeft de rechtbank aandacht gevraagd voor het nieuwe besluit van Dienst Toeslagen van 4 juni 2024 waarin de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over 2020 is aangepast en waarin eiser over 2020 alsnog huur- en zorgtoeslag is toegekend. Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift van 11 juli 2024 ook gewezen op dit nieuwe besluit. Het besluit van 4 juni 2024 is door Dienst Toeslagen naar eiser toegezonden en het verweerschrift van 11 juli 2024 is in ieder geval naar de gemachtigde van eiser verstuurd. Zowel eiser als zijn gemachtigde waren dus al ruim voor de zittingsdatum met het besluit bekend. De rechtbank heeft daarnaast, naar aanleiding van de brief van 29 oktober 2024, meermaals tevergeefs telefonisch contract proberen op te nemen met de gemachtigde van eiser.
2.1.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het verzoek om uitstel toe te wijzen. De rechtbank vindt dat het verzoek van de gemachtigde van eiser te laat is ingediend nu de gemachtigde van eiser pas om 8.55 uur op de ochtend van de zitting, die om 09.30 uur is aangevangen, het verzoek om uitstel heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen zijn eiser en zijn gemachtigde ruimschoots in de gelegenheid geweest om een standpunt in te nemen over het besluit van 4 juni 2024. De rechtbank heeft het verzoek om uitstel daarom ter zitting afgewezen.

Totstandkoming van het besluit

3. Op 27 december 2019 heeft Dienst Toeslagen aan eiser voor het jaar 2020 een voorschot zorgtoeslag toegekend van € 1.747 en een voorschot huurtoeslag van € 2.952.
3.1.
Op 21 januari 2020 heeft Dienst Toeslagen de voornoemde toeslagen opnieuw berekend. Daarbij heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2020 een voorschot toeslag toegekend van € 2.049 en een voorschot huurtoeslag van € 3.499.
3.2.
Met het besluit van 9 juni 2023 heeft Dienst Toeslagen eisers recht op zorg- en huurtoeslag voor het jaar 2020 definitief vastgesteld op € 0 en een bedrag van € 2.207 aan teveel ontvangen zorgtoeslag en een bedrag van € 3.770 aan teveel ontvangen huurtoeslag teruggevorderd van eiser.
3.3.
Met het besluit van 3 november 2023 op het bezwaar van eiser heeft Dienst Toeslagen het primaire besluit gehandhaafd. Dit is het besluit waartegen eiser beroep heeft ingesteld.
3.4.
Met het nieuwe besluit van 4 juni 2024 heeft Dienst Toeslagen de definitieve zorg- en huurtoeslag over 2020 aangepast. Dienst Toeslagen heeft eisers recht op zorg- en huurtoeslag vastgesteld op respectievelijk een bedrag van € 2.160 en € 3.715, waarmee eiser inclusief wettelijke rente € 2.435 aan zorgtoeslag en € 4.187 aan huurtoeslag te weinig heeft ontvangen. Dit bedrag zou Dienst Toeslagen overmaken naar eiser ofwel verrekenen met – eventuele – uitstaande schulden.

Beoordeling door de rechtbank

4. Met het besluit van 4 juni 2024 is Dienst Toeslagen geheel aan eiser tegemoet gekomen en is alsnog een hoger bedrag dan oorspronkelijk aan zorg- en huurtoeslag toegekend. Om die reden ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of eiser nog een procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Volgens vaste rechtspraak [1] heeft iemand procesbelang als wat hij of zij nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat uitsluitend het bestreden besluit ter beoordeling aan de rechtbank voorligt en niet het nieuwe besluit van 4 juni 2024. Het nieuwe besluit van
4 juni 2024 houdt evenwel een aanpassing ten gunste van eiser in en gesteld noch gebleken is dat eiser met een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit meer kan bereiken dan wat hij nu al heeft gekregen. Een beoordeling van het beroep kan voor hem dus geen feitelijke betekenis meer hebben. Eiser heeft geen renteverlies geleden, omdat Dienst Toeslagen direct uitstel van betaling aan eiser heeft verleend. Van een ander belang is verder niet gebleken. Vanwege het ontbreken van procesbelang zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Daarom beoordeelt de rechtbank de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten, omdat het bestreden besluit geen onrechtmatig besluit is. Dienst Toeslagen is namelijk op grond van artikel 20 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen verplicht de zorg- en huurtoeslag te herzien als het inkomensgegeven na de vaststelling van de toekenning wijzigt en dat is in dit geval ook gebeurd.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I van Meel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2572.