Uitspraak
17.314 PW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds 2008 en werd onderzocht vanwege verzuimnotities. Tijdens het onderzoek gaf appellant aan geld te lenen zonder administratie bij te houden. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in wegens het niet volledig verstrekken van gevraagde informatie. Appellant voerde aan dat de ontvangen bedragen leningen waren en niet als middelen moesten worden beschouwd.
De Raad oordeelde dat contante bedragen, ook als leningen, in principe als middelen worden beschouwd en dat het niet melden van deze bedragen een schending van de inlichtingenplicht vormt. De door appellant overgelegde verklaringen en een leningenoverzicht boden onvoldoende inzicht en waren niet ondersteund door verifieerbare gegevens. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand.
Het beroep tegen de intrekking van de bijstand slaagde niet. Het beroep tegen de opschorting van de bijstand werd niet-ontvankelijk verklaard omdat deze geen feitelijke betekenis meer had. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht en onvoldoende bewijs van geldleningen.