Verzoeker had een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd, welke aanvankelijk door de staatssecretaris werd afgewezen. Verzoeker stelde daarop een voorlopige voorziening in om tijdens de bezwaarprocedure als zou hij een VOG hebben te worden behandeld.
Tijdens de bezwaarprocedure besloot de staatssecretaris alsnog de VOG te verlenen, waarna verzoeker de voorlopige voorziening introk en een verzoek indiende om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten. De staatssecretaris betoogde dat er geen sprake was van onrechtmatigheid omdat de beslissing op bezwaar was gebaseerd op nieuwe informatie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestuursorgaan aan verzoeker was tegemoetgekomen door alsnog de VOG te verlenen, waardoor het verzoek om proceskostenvergoeding toewijsbaar was. De proceskosten werden vastgesteld op €907,-, te betalen aan de gemachtigde van verzoeker. Het griffierecht kan verzoeker rechtstreeks bij de staatssecretaris verhalen.