Eiseres heeft beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag van 16 oktober 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder heeft de beslistermijn overschreden, wat niet door partijen is betwist. Na ingebrekestelling op 21 oktober 2024 en het verstrijken van meer dan twee weken, diende eiseres op 12 januari 2025 het beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een termijn van twaalf weken na het verweerschrift, uiterlijk 17 april 2025, een besluit moet nemen. Omdat het een aanvraag om aanvullende compensatie betreft, is de verplichting tot het toezenden van een vooraankondiging niet van toepassing, waardoor geen extra tijd nodig is.
Daarnaast wordt een dwangsom opgelegd van € 50,- per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder heeft reeds een dwangsom van € 1.442,- toegekend. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens tot vergoeding van de proceskosten van € 453,50 en het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres.
Partijen hebben afgezien van een zitting. De uitspraak is gedaan door rechter B. Fijnheer en uitgesproken op 20 februari 2025.