ECLI:NL:RVS:2023:3209
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling nadere beslistermijnen voor besluiten kinderopvangtoeslagcompensatie
De zaak betreft hoger beroepen tegen uitspraken van rechtbanken over het niet tijdig nemen van besluiten door de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen, specifiek voor compensatie van fouten bij kinderopvangtoeslag in 2007-2011.
De rechtbank Midden-Nederland had een beslistermijn tot 1 juli 2024 vastgesteld voor het nemen van besluiten op bezwaar, met een dwangsom bij overschrijding. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt dit oordeel omdat het niet passend is dat de rechter een dergelijke generieke termijn bepaalt, en stelt nieuwe nadere beslistermijnen vast die recht doen aan de belangen van alle betrokkenen.
De Afdeling bepaalt dat de Belastingdienst/Toeslagen binnen twaalf weken na het verweerschrift een besluit op bezwaar moet nemen, waarvan minimaal zes weken na de uitspraak moeten liggen. Als die termijn al is verstreken of geen verweerschrift is ingediend, geldt een termijn van zes weken na de uitspraak. Bij aanvragen geldt een vergelijkbare regeling met een schriftelijke vooraankondiging en een termijn voor zienswijzen.
De Afdeling benadrukt dat de structurele overschrijding van wettelijke termijnen een politiek probleem is en niet door de bestuursrechter kan worden opgelost. De Belastingdienst/Toeslagen wordt opgedragen binnen zes weken na deze uitspraak een besluit te nemen en een dwangsom wordt opgelegd bij overschrijding.
Proceskosten worden aan de dienst opgelegd en het griffierecht wordt vergoed aan appellant. De uitspraak draagt bij aan rechtszekerheid en eenduidigheid in de behandeling van deze omvangrijke hersteloperatie.
Uitkomst: De Afdeling vernietigt de eerdere beslistermijn tot 1 juli 2024 en stelt een termijn van zes weken na uitspraak vast voor het nemen van het besluit op bezwaar.