Uitspraak
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De voorgeschiedenis van de zaak
4.De beoordeling
€ 135,00
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak verzocht de werkgever de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, verwijtbaar handelen of een combinatie daarvan. De werknemer was sinds 2013 in dienst en vervulde een leidinggevende functie binnen een arbodienstverleningsorganisatie. De werkgever voerde een reorganisatie door waarbij functies werden samengevoegd.
De werknemer uitte bezwaren tegen de reorganisatie en schakelde een advocaat in, waarna de werkgever de werknemer op non-actief stelde. De werkgever stelde dat de arbeidsverhouding onherstelbaar was verstoord en dat verwijtbaar handelen van de werknemer aan de orde was. De werknemer betwistte dit en verzocht om wedertewerkstelling en vergoeding van gemaakte advocaatkosten.
De kantonrechter oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding. Het was het recht van de werknemer om juridische bijstand te zoeken en haar standpunten te uiten. De werkgever had onvoldoende gedaan om de relatie te herstellen. Ook was geen sprake van verwijtbaar handelen. Het verzoek tot ontbinding werd daarom afgewezen.
De kantonrechter wees het verzoek tot wedertewerkstelling toe en veroordeelde de werkgever tot betaling van een deel van de buitengerechtelijke advocaatkosten en proceskosten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen en de werknemer wordt wedertewerkgesteld met gedeeltelijke vergoeding van advocaatkosten.