Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn aanvraag van 8 januari 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder heeft het niet tijdig beslissen erkend en een verweerschrift ingediend op 21 februari 2025. Partijen wensten geen mondelinge behandeling, waarna de rechtbank het onderzoek sloot.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de beslistermijn is overschreden en verweerder in gebreke is gesteld op 20 januari 2025. De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen twaalf weken na het verweerschrift, uiterlijk 16 mei 2025, een besluit moet nemen. Dit is gebaseerd op de toepasselijke artikelen van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €50,- per dag met een maximum van €15.000,- voor iedere dag dat verweerder de termijn overschrijdt. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser en het door eiser betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2025.