ECLI:NL:RBMNE:2025:1517

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 maart 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
C/16/589920 / JE RK 25-379
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming verleend voor paspoortaanvraag minderjarigen voor buitenlandse vakantie

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de kinderrechter om toestemming voor het aanvragen van paspoorten voor twee minderjarigen die onder toezicht zijn gesteld en in een pleeggezin verblijven. De vader, die het eenhoofdig gezag heeft, gaf geen toestemming vanwege zorgen over de veiligheid van de reis naar Tunesië, het gele reisadvies en het ontbreken van overleg over de vakantie.

De kinderrechter hield een zitting met gesloten deuren en voerde gesprekken met één van de minderjarigen. De GI werd gedeeltelijk belast met het gezag over de kinderen, waaronder toestemming voor medische behandelingen. De rechter overwoog dat het belang van de kinderen bij het verkrijgen van een paspoort en het kunnen deelnemen aan de vakantie zwaarder weegt dan de bezwaren van de vader.

De rechter nam mee dat de kinderen graag mee willen op vakantie met het pleeggezin en dat de vader momenteel slechts begeleide omgang heeft. Het gele reisadvies werd niet als belemmering gezien, mede omdat het pleeggezin eerder naar Tunesië is geweest en de kinderen mogelijk gevaccineerd worden zonder toestemming van de vader.

De kinderrechter verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zodat de paspoortaanvraag direct kan worden uitgevoerd. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De kinderrechter verleent vervangende toestemming aan de GI voor het aanvragen van paspoorten voor de minderjarigen zodat zij met het pleeggezin naar het buitenland kunnen reizen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/589920 / JE RK 25-379
Datum uitspraak: 28 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over het verkrijgen van een reisdocument
in de zaak van:
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, hierna: de GI,
gevestigd in [.] ,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1 (voornaam)] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2 (voornaam)] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[belanghebbende], hierna: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.De procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:
  • het verzoek van de GI van 7 maart 2025 met bijlagen;
  • het bericht van de GI van 24 maart 2025 met bijlagen;
  • het bericht van de GI van 26 maart 2025 met bijlage;
  • het e-mailbericht van de vader van 27 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 maart 2025. Daarbij waren aanwezig: [A] en [B] namens de GI.
1.3.
De vader heeft de rechtbank op 27 maart 2025 verzocht om de zitting te verplaatsen, omdat hij ziek is van alle stress en omdat hij nog geen advocaat heeft. De kinderrechter heeft het uitstelverzoek afgewezen gelet op het spoedeisend karakter van het verzoek en de vader in de gelegenheid gesteld om via Teams deel te nemen aan de zitting. De vader heeft de rechtbank laten weten dat hij niet in staat is om via Teams deel te nemen aan de zitting.
1.4.
De kinderrechter heeft op 27 maart 2025 een gesprek gehad met [minderjarige 2 (voornaam)] . De kinderrechter heeft [minderjarige 1 (voornaam)] ook uitgenodigd voor een gesprek, maar hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De vader heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] .
In de beschikking van 20 december 2024 heeft de kinderrechter de GI gedeeltelijk belast met het gezag over [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling tot 30 mei 2025 (voor de duur van de uithuisplaatsing).
2.2.
[minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] verblijven in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 augustus 2024 [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] voorlopig onder toezicht gesteld tot 30 november 2024. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd tot 30 november 2025.
2.4.
In diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging verleend [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] uit huis te plaatsen in een (netwerk)pleeggezin voor de duur van vier weken, dus tot 27 september 2024. Die maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst in de beschikking van 29 november 2024 tot 30 mei 2025.
2.5.
De GI verzoekt de kinderrechter om toestemming voor de aanvraag van een paspoort voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . De kinderen hebben een paspoort nodig voor een vakantie met het pleeggezin naar Tunesië ( [plaats 1] ).
2.6.
De vader is het niet eens met het verzoek van de GI. Uit het e-mailbericht van de vader van 20 februari 2025 blijkt dat de vader zich grote zorgen maakt over het idee dat de kinderen zonder zijn bescherming een verre reis gaan maken. Voor [plaats 1] (Tunesië) geldt een geel reisadvies. De kinderen zijn nog jong en kwetsbaar, de vader heeft geen garanties dat de pleegouders voorbereid zijn op alle mogelijke scenario’s en de timing van de vakantie is ongelukkig omdat de kinderen in de nabije toekomst terugkeren naar huis. Daarnaast vindt de vader het bezwaarlijk dat hij niet is betrokken in het overleg voorafgaand aan het plannen van de vakantie. De vader is hiermee voor een voldongen feit gesteld. Verder blijkt uit het e-mailbericht van de vader van 27 maart 2025 dat hij graag zelf tijd met de kinderen wil doorbrengen in de vakantie. De vader vindt het belang van de kinderen bij een vakantie met de vader in de meivakantie zwaarder wegen dan het belang bij een snoepreisje met de pleegouders naar Tunesië.
2.7.
[minderjarige 2 (voornaam)] heeft aan de kinderrechter verteld dat hij graag op vakantie wil. Verder heeft [minderjarige 2 (voornaam)] verteld dat hij graag bij zijn vader wil wonen.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1.
De kinderrechter verleent toestemming aan de GI – welke toestemming die van de vader vervangt – voor het verkrijgen van een Nederlands paspoort voor de minderjarigen [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het juridisch kader
3.2.
In artikel 36, eerste lid, van de Paspoortwet is onder meer bepaald dat bij een aanvraag van een reisdocument voor een minderjarige die onder toezicht is gesteld, een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter kan worden overgelegd indien één of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren om op verzoek van de GI een verklaring van toestemming af te geven. In het tweede lid staat opgenomen dat de rechter een verklaring van toestemming kan afgeven op verzoek van de GI en dat de rechter een zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De motivering van de beslissing
3.3.
Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat is voldaan aan de hiervoor genoemde wettelijke criteria. De kinderrechter vindt het in het belang van de kinderen dat voor hen een paspoort kan worden aangevraagd. Het is duidelijk geworden dat de vader geen toestemming geeft voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . De kinderrechter vindt de bezwaren die de vader opwerpt tegen het aanvragen van een paspoort niet opwegen tegen het belang van de kinderen om een paspoort te hebben, zodat zij met het pleeggezin op vakantie kunnen gaan. De kinderen willen graag met het pleeggezin mee op vakantie en de kinderrechter gunt hen dat ook. De kinderrechter begrijpt dat de vader zelf ook met de kinderen op vakantie wil, maar dat is nu nog niet aan de orde. Er is op dit moment één keer begeleide omgang per week voor de duur van twee uur met de vader op de locatie van [instelling] in [plaats 2] . Zolang er nog geen onbegeleide omgang en overnachtingen zijn, is een vakantie van de kinderen met de vader niet aan de orde.
3.4.
Ook het bezwaar van de vader dat het reisadvies voor [plaats 1] geel is, is geen reden om geen paspoort voor de kinderen aan te vragen. De GI geeft aan dat ondanks het gele reisadvies op de site van de Rijksoverheid wordt aangegeven dat reizigers hier gewoon naartoe kunnen reizen. Bovendien zijn de pleegouders hier vorig jaar ook geweest. Ze gaan dit jaar weer naar hetzelfde all inclusive hotel en het is de bedoeling om vooral op het resort te verblijven. Daarnaast is op de zitting het punt van de vaccinaties van de kinderen besproken. Vaccineren is niet verplicht voor Tunesië, maar er zijn wel een aantal vaccinaties die aanbevolen worden. De GI gaat nogmaals in beraad of de kinderen toch nog gevaccineerd moeten worden. Voor het vaccineren van de kinderen is geen toestemming van de vader nodig, omdat de GI belast is met het gedeeltelijk gezag met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling. Daar valt ook het vaccineren onder.
3.5.
Verder voert de vader aan dat de vakantie niet met hem is overlegd. De kinderrechter overweegt dat dit ook niet nodig is. [1] Het nemen van beslissingen over een vakantie met de kinderen behoort tot de taken van de pleegouders. De GI moet wel zorgen dat de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen wordt nageleefd. Uit het verzoek van de GI blijkt dat het omgangsmoment dat in de vakantie valt op een ander moment gecompenseerd zal worden.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.6.
De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verleent toestemming aan de GI – welke toestemming die van de vader vervangt – voor het verkrijgen van een Nederlands paspoort, als bedoeld in artikel 36, eerste lid, Paspoortwet, voor de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] ;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Clement als griffier, en op schrift gesteld op 28 maart 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Hoge Raad 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:748.