Uitspraak
gevestigd te Den Haag,
2.Beantwoording van de prejudiciële vragen
3.Beslissing
21 mei 2021.
Hoge Raad
Deze prejudiciële procedure betreft de vraag of pleegouders toestemming moeten verkrijgen van de ouders met gezag of van de gecertificeerde instelling voor uitstapjes of vakanties met een minderjarige die onder toezicht is gesteld en uit huis geplaatst bij pleegouders.
De Hoge Raad stelt vast dat het ouderlijk gezag bij de ouders blijft, ook bij ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, tenzij het gezag voor specifieke onderwerpen is overgedragen aan de gecertificeerde instelling. Pleegouders hebben de dagelijkse zorg en opvoeding, inclusief beslissingen over uitstapjes en vakanties, waarvoor geen toestemming van ouders nodig is.
Wel moeten pleegouders voorgenomen uitstapjes of vakanties melden aan de gecertificeerde instelling indien deze de omgangsregeling met de ouders raakt, zodat de instelling toestemming kan geven of weigeren in het belang van de minderjarige. Geschillen hierover kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd op grond van art. 1:262b BW.
De overige prejudiciële vragen over andere situaties blijven onbeantwoord omdat ze niet relevant zijn voor de beslissing. De Hoge Raad bevestigt hiermee de rolverdeling tussen ouders, pleegouders en gecertificeerde instelling in het kader van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
Uitkomst: Pleegouders hoeven geen toestemming van ouders met gezag voor uitstapjes of vakanties, maar moeten dit melden aan de gecertificeerde instelling als de omgangsregeling wordt geraakt.