Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:172

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2025
Publicatiedatum
28 januari 2025
Zaaknummer
11219245 MC 24-4540
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119 BWartikel 5 lid 2 opdrachtovereenkomstartikel 5 lid 4 opdrachtovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg en betaling vaste vergoeding en commissie bij financiële dienstverlening

Eiser heeft als financieel dienstverlener werkzaamheden verricht voor gedaagde en factureerde maandelijks een vaste vergoeding van € 5.000 exclusief btw. Gedaagde betaalde twee facturen niet en betwistte de hoogte van de vergoeding en de verschuldigde commissie.

De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht is gesloten met een vaste maandelijkse vergoeding, mede gelet op het feit dat gedaagde de meeste facturen zonder bezwaar heeft betaald. De openstaande facturen over december 2022 en februari 2023 dienen betaald te worden, met uitzondering van de commissiepost die eiser niet voldoende heeft onderbouwd.

Eiser vordert ook wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten, waarvan de rente en een gematigd bedrag aan incassokosten worden toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente, incassokosten en proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde moet openstaande facturen minus commissie betalen, met rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht, kanton
locatie Almere
Vonnis van 29 januari 2025
in de zaak met zaaknummer 11219245 MC 24-4540
[eiser]handelend onder de naam
[handelsnaam 1],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij, hierna: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. van Egmond,
tegen
[gedaagde]handelend onder de naam
[handelsnaam 2] ,wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij, hierna: [gedaagde] ,
gemachtigde: J.J.H.M. Tax.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 15;
  • de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6.
1.2.
Op 17 december 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen met hun gemachtigden zijn verschenen. Als toehoorders waren verder aanwezig de echtgenote van [eiser] en een kantoorgenoot van mr. Van Egmond. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.3.
De kantonrechter heeft op de zitting beslist dat in deze zaak uiterlijk 15 januari 2025 uitspraak wordt gedaan. Om organisatorische redenen volgt uitspraak vandaag.

2.De kern van de zaak

[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden verricht als financieel dienstverlener. [eiser] heeft daarvoor iedere maand facturen gestuurd, waarvan [gedaagde] er twee onbetaald heeft gelaten. Deze facturen moet [gedaagde] alsnog betalen, met uitzondering van de daarop in rekening gebrachte commissie. [eiser] meent ook nog recht te hebben op niet betaalde en niet eerder gefactureerde commissie, maar dat heeft hij onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] hoeft die niet aan [eiser] te betalen.

3.De beoordeling

Tussen [eiser] en [gedaagde] is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen

3.1.
[eiser] heeft als opdrachtnemer van [gedaagde] werkzaamheden verricht, voor [gedaagde] zelf en voor opdrachtgevers van [gedaagde] , waaronder [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). Aanvankelijk heeft [gedaagde] betoogd dat niet hij, maar een derde opdrachtgever was van [eiser] , maar dat standpunt heeft hij op de zitting desgevraagd laten vallen.
3.2.
Partijen zijn het erover eens dat eerst mondelinge afspraken zijn gemaakt en dat er vervolgens op 1 oktober 2022 een schriftelijke overeenkomst tot stand is gekomen die een schriftelijke weergave is van de eerder gemaakte mondelinge afspraken (overgelegd als productie 3 van [eiser] ).
[eiser] heeft recht op een vaste maandelijkse vergoeding van € 5.000,00 exclusief btw
3.3.
Volgens [eiser] is [gedaagde] hem een vaste maandelijkse vergoeding van € 5.000,00 exclusief btw verschuldigd. [gedaagde] stelt daartegenover dat is afgesproken dat [eiser] tegen een uurtarief van € 50,00 exclusief btw mocht factureren en partijen daarbij weliswaar als uitgangspunt hebben genomen dat [eiser] iedere maand 100 uur aan werk zou hebben, maar dat is volgens [gedaagde] slechts een inschatting geweest; een vaste vergoeding is volgens hem niet afgesproken.
3.4.
De kantonrechter volgt het standpunt van [eiser] . In de overeenkomst zelf staat enkel dat [eiser] maandelijks factureert aan [gedaagde] , met daarbij een uren- en kilometerregistratie (artikel 5 lid Pro 2). Alle facturen van [eiser] die in het dossier zitten, inclusief de onbetaalde facturen over december 2022 en februari 2023, zijn echter voor een bedrag van € 5.000,00 exclusief btw. [gedaagde] heeft nooit geprotesteerd tegen deze facturen en heeft deze – op de twee hiervoor genoemde facturen na – ook allemaal betaald, terwijl is afgesproken dat eventuele bezwaren tegen een factuur binnen veertien dagen na verzending schriftelijk bekend moeten worden gemaakt (artikel 5 lid Pro 4). Deze gang van zaken wijst erop dat partijen een vaste vergoeding hebben afgesproken zoals bepleit door [eiser] . Dit wordt bevestigd door het feit dat [gedaagde] nooit een serieus punt heeft gemaakt van de verplichting tot het toevoegen van een urenregistratie. [eiser] erkent dat [gedaagde] twee maanden na de start van de samenwerking heeft gevraagd om de gewerkte uren bij te houden, maar ook als vast komt te staan dat [eiser] dat niet (steeds) heeft gedaan, blijft staan dat [gedaagde] daar kennelijk mee heeft ingestemd.
[gedaagde] moet de facturen over december 2022 en februari 2023 betalen, met uitzondering van de gefactureerde commissie
3.5.
Gelet op het voorgaande moet [gedaagde] de openstaande facturen over december 2022 en februari 2023 in principe alsnog betalen. Het betoog van [gedaagde] dat het verstrekken van een urenspecificatie een voorwaarde is voor uitbetaling stuit af op het hetgeen hiervoor is overwogen. Datzelfde geldt voor de – niet nader onderbouwde – stellingname van [gedaagde] dat [eiser] in januari en februari 2023 vrijwel geen werk heeft verricht; uitgaande van een vaste maandelijkse vergoeding, is dat immers niet van belang. Afgezien daarvan ziet geen van de niet-betaalde facturen van [eiser] op de maand januari 2023 (maar op december 2022 en februari 2023), zodat de betwisting over januari 2023 hoe dan ook niet opgaat. Ten slotte heeft [gedaagde] betoogd dat de facturen vol fouten zitten, maar voor zover dat al zou worden aangenomen (de kantonrechter stelt vast dat de factuur over december 2022 abusievelijk als datum 01.01.2022 heeft), heeft hij niet uitgelegd waarom dat maakt dat hij deze niet hoeft te betalen.
3.6.
Op de factuur van december 2022, met factuurnummer 2022-14, staat ook een post “ [bedrijf] / [handelsnaam 2] provisie 20%” groot € 500,00 exclusief btw (€ 605,00 inclusief btw). [gedaagde] heeft voldoende gemotiveerd betwist dat Van der Zijde daarop aanspraak kan maken. Weliswaar volgt uit artikel 5 van Pro de opdrachtovereenkomst dat [eiser] 20% krijgt van de totale
success feeop “elke succesvol afgeronde financieringsaanvraag” die wordt afgewikkeld via [bedrijf] dan wel via (een onderneming van) [gedaagde] . En [eiser] heeft op de zitting (onbetwist) gesteld dat hij op basis van een mondelinge afspraak deze commissie “vooruit” mocht factureren. Maar [eiser] heeft niet toegelicht op welke specifieke commissie deze factuur ziet en dat had wel op zijn weg gelegen. Dat geldt des te meer omdat het uit het door [gedaagde] als productie 6 overgelegde overzicht van volgens hem verschuldigde commissie volgt dat [eiser] eerder al – op de factuur met nummer 2022-11 – meer commissie heeft gefactureerd en betaald gekregen (€ 2.500) dan waarop hij volgens [gedaagde] in totaal recht heeft (€ 2.004). Nu [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij recht heeft op de gefactureerde commissie zal de kantonrechter zijn vordering voor wat betreft deze commissie afwijzen.
[gedaagde] hoeft verder ook geen achterstallige commissie te betalen
3.7.
Volgens [eiser] staat er nog een bedrag van € 1.400,00 open aan niet-betaalde en niet eerder gefactureerde commissie, maar dat heeft hij tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat hij vanwege het aanbrengen van klant [A] aanspraak heeft op eerdergenoemde € 1.400,00, maar uit de als productie 15 overgelegde whatsapp-berichten kan dat niet worden afgeleid. Weliswaar komt daarin de naam “ [A] ” voor en staat daarin te lezen “wordt dus een nota van 7K” (onduidelijk is wie dat zegt), maar daaruit volgt nog niet dat hier sprake is van een (afgeronde) financieringsaanvraag in de zin van artikel 5. Bijkomende feiten en omstandigheden waaruit dat zou kunnen worden afgeleid zijn niet gesteld en dit volgt ook nergens uit. Afgezien daarvan heeft [eiser] niet uitgelegd waarom hij voor deze commissie – anders dan kennelijk gebruikelijk was tussen partijen – niet eerder een factuur heeft gestuurd aan [gedaagde] . Deze vordering zal dus worden afgewezen.
[gedaagde] heeft geen tegenvordering ingesteld
3.8.
In zijn verweerschrift heeft [gedaagde] het over een (tegen)vordering op [eiser] . Desgevraagd heeft hij op de zitting verklaard dat hij in deze procedure geen vordering heeft willen instellen. Dat betekent dat de kantonrechter daarop ook niet hoeft te beslissen.
conclusie, rente en kosten
conclusie
3.9.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] [eiser] nog € 12.100,00 moet betalen, uit hoofde van de onbetaalde facturen over december 2022 en februari 2023 (€ 12.705,00 inclusief btw) minus de gefactureerde, maar niet verschuldigde commissie (€ 605,00 btw).
wettelijke handelsrente
3.10.
[eiser] vordert wettelijke handelsrente over het hiervoor genoemde bedrag. Deze vordering is in principe toewijsbaar omdat het hier gaat om een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW. Gezien de betalingstermijn van veertien dagen die op de door [eiser] overgelegde facturen staat, is de wettelijke handelsrente steeds na afloop van die termijn gaan lopen (vgl. artikel 6:119a lid 1 BW). De vordering van [eiser] zal met inachtneming van het voorgaande worden toegewezen.
buitengerechtelijke incassokosten
3.11.
[eiser] maakt bovendien aanspraak op vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Uit de door [eiser] ingediende stukken blijkt dat zijn gemachtigde [gedaagde] op 15 september 2023 heeft aangemaand om de openstaande facturen binnen veertien dagen te betalen. Omdat [eiser] niet binnen die termijn heeft betaald, is hij in verzuim geraakt. Dat betekent dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 1.385,25 aan buitengerechtelijke incassokosten is echter niet in overeenstemming met de hoogte van de toegewezen hoofdsom. De kantonrechter zal conform de staffel een bedrag van € 896,00 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.
3.12.
[eiser] maakt ook in dit kader aanspraak op de wettelijke handelsrente, maar die is niet toewijsbaar. Buitengerechtelijke kosten dienen immers te worden aangemerkt als vermogensschade en de verplichting tot vergoeding daarvan valt buiten het bestek van artikel 6:119a BW (vgl. HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:40). In plaats daarvan zal over de buitenrechtelijke incassokosten de wettelijke rente worden toegewezen. Deze gaat bij een vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten pas lopen vanaf het moment dat de betreffende schade is geleden. Dit is het moment waarop deze kosten door de schuldeiser zijn betaald. Indien over het moment van betaling niets wordt gesteld, zoals hier, dan is de wettelijke rente toewijsbaar indien betaling uitblijft binnen twee weken na betekening van dit vonnis.
proceskosten
3.13.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 1.633,77 (€ 115,77 en € 706,00 aan explootkosten respectievelijk griffierecht en € 812,00 voor salaris gemachtigde).
3.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.15.
De kantonrechter zal dit vonnis als gevorderd uitvoerbaar bij voorraad verklaren. [eiser] heeft hier belang bij en de wet en de aard van de zaak verzetten zich niet tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook bij een eventueel hoger beroep.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 12.100,00 aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, vanaf de vervaldata van de desbetreffende facturen tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 896,00 aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten van [eiser] , tot de uitspraak van het vonnis begroot op € 1.633,77, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als de proceskosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald;
4.4.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.L. Beckers en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.