ECLI:NL:RBMNE:2025:1825
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van 19 februari 2025 waarbij haar bijstandsuitkering werd ingetrokken vanwege het weigeren van een huisbezoek, wat een schending van de inlichtingen- en medewerkingsplicht inhoudt.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en concludeerde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Dit omdat uit de overgelegde bankafschriften bleek dat verzoekster na intrekking van de uitkering nog een positief banksaldo had en salaris ontving, zonder aanwijzingen voor een onomkeerbare financiële noodsituatie zoals dreigende huisuitzetting.
Daarnaast werd het beroep op evidente onrechtmatigheid van het besluit verworpen omdat zonder diepgaand onderzoek niet ernstig getwijfeld kon worden aan de rechtmatigheid van het besluit. Gezien het ontbreken van spoedeisend belang en evidente onrechtmatigheid, werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 15 april 2025 en bindt niet in een eventuele bodemprocedure. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evidente onrechtmatigheid.