Uitspraak
1.De procedure
- de schriftelijke conclusie van antwoord.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser huurt sinds 2002 een sociale huurwoning van GoedeStede in Almere en woont sinds december 2023 samen met de heer A. Per 1 juli 2024 heeft GoedeStede de huurprijs verhoogd met €70 per maand, gebaseerd op het gezamenlijke inkomen van eiser en A in 2022. Eiser betwist dit omdat zij in 2022 nog alleen woonde en het inkomen van A in 2024 is gedaald.
Eiser heeft bezwaar gemaakt bij GoedeStede en de Huurcommissie, maar beide oordeelden dat de huurverhoging redelijk is. Eiser startte vervolgens een procedure bij de kantonrechter om de huurprijs te verlagen. De kantonrechter stelt vast dat de vordering tijdig is ingesteld en inhoudelijk behandeld kan worden.
Volgens de wet wordt bij huurverhoging het inkomen van de huishouding in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan de huurverhoging gehanteerd. Dat eiser en A in 2022 nog niet samenwoonden is irrelevant. Een verzoek tot huurverlaging op basis van een inkomensdaling in 2024 kan niet worden gehonoreerd; alleen inkomensdaling in het peiljaar 2023 is relevant.
De kantonrechter wijst het verzoek af en ziet geen reden om af te wijken van het wettelijke systeem. Ook het aangehaalde precedent uit Noord-Holland is niet vergelijkbaar. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van €258,00 plus eventuele betekeningkosten.
Uitkomst: Het verzoek tot huurverlaging wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.