Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn aanvraag van 9 oktober 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder heeft erkend dat de beslistermijn is overschreden. Eiser stelde het beroep in na een ingebrekestelling die op 1 november 2024 werd verzonden en op 3 december 2024 door verweerder werd ontvangen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen, met een uiterste datum van 23 april 2025. De rechtbank verwijst naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake beslistermijnen voor aanvragen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), waarbij voor aanvullende compensatie een kortere termijn geldt dan voor reguliere compensatie.
Verder legt de rechtbank een dwangsom op van € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag overschrijding van de termijn. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ad € 453,50 en het betaalde griffierecht van € 53,-. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het recht op mondelinge behandeling, waarna het onderzoek is gesloten en de uitspraak is gedaan op 21 februari 2025.