Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op haar aanvraag van 20 juli 2023 voor aanvullende compensatie werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder heeft de beslistermijn overschreden, hetgeen niet in geschil is. Eiseres stelde verweerder op 31 juli 2024 schriftelijk in gebreke, waarna zij op 13 maart 2025 beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat verweerder alsnog een besluit moet nemen. Volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt voor aanvragen aanvullende compensatie op grond van artikel 2.1, derde lid, Wht geen verplichting tot vooraankondiging, waardoor een termijn van twaalf weken na het verweerschrift geldt voor het nemen van het besluit. De uiterste datum voor verweerder om te beslissen is vastgesteld op 17 juni 2025.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 50 per dag bij overschrijding met een maximum van € 15.000 en veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres (€ 453,50) en het griffierecht (€ 53). Partijen zijn niet gehoord omdat zij geen gebruik maakten van dit recht. De uitspraak is gedaan door rechter E.E.M. van Abbe op 17 april 2025.