Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar over de WOZ-waarde. Tijdens de beroepsprocedure heeft verweerder een compromisvoorstel gedaan, waarmee verzoekster akkoord ging en het beroep introk. Verzoekster vordert vervolgens vergoeding van haar proceskosten.
De rechtbank beoordeelt het verzoek zonder zitting en stelt vast dat verweerder het verzoek tot vergoeding betwist, met name over de hoogte van de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding. De rechtbank past een wegingsfactor van 0,25 toe vanwege het lichte gewicht van de zaak.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van €226,75 aan proceskosten. Daarnaast wijst de rechtbank op de verplichting van verweerder om het griffierecht te vergoeden en op de vereiste dat de betaling op een bankrekening op naam van verzoekster moet plaatsvinden.