ECLI:NL:RBMNE:2025:1946

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 februari 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
UTR 23/5322
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken toereikende machtiging

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar. Dit beroep is ingediend door mr. D.A.N. Bartels, die veronderstellenderwijs namens eiseres handelt. Bij het beroepschrift ontbrak een machtiging die bevestigt dat Bartels bevoegd is om namens eiseres op te treden.

De rechtbank heeft Bartels tweemaal schriftelijk verzocht om binnen een gestelde termijn een toereikende machtiging te overleggen. Hoewel Bartels een machtiging heeft ingediend, betrof deze een ander persoon dan eiseres, waardoor de rechtbank niet kon vaststellen dat Bartels bevoegd was om het beroep in te stellen.

Tijdens de zitting heeft Bartels aangegeven dat de rechtbank bij onduidelijkheden contact met hem had moeten opnemen en verwees naar eerdere procedures. De rechtbank oordeelt echter dat voldoende gelegenheid is geboden om het verzuim te herstellen en dat het ontbreken van een juiste machtiging niet is opgelost.

Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard en komt de rechtbank niet toe aan inhoudelijke beoordeling. Tevens wordt het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat eiseres schade heeft geleden. Het verzoek van de heffingsambtenaar om proceskostenveroordeling van de gemachtigde wordt eveneens afgewezen omdat alleen partijen zelf in proceskosten kunnen worden veroordeeld.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
Zaaknummer: UTR 23/5322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2025 in de zaak tussen

mr. D.A.N. Bartels veronderstellenderwijs handelend namens, [eiseres]te [woonplaats] , eiseres,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht,verweerder
(gemachtigde: mr. K.L. Vos).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 30 oktober 2023 tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 30 oktober 2023.
De zitting heeft middels een MSTeams verbinding plaatsgevonden op 27 januari 2024. Bartels en de gemachtigde van de heffingsambtenaar zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het beroep is veronderstellenderwijs door Bartels ingesteld namens [eiseres] . Bij het beroepschrift is geen machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen.
2. De rechtbank heeft Bartels, bij brief van 2 november 2023 en 23 februari 2024 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken een toereikende machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens eiseres beroep in te stellen en in beroep op te treden. In deze brief staat dat als Bartels niet (tijdig) aan dit verzoek voldoet of uitstel vraagt, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. Bij brief van 5 augustus 2023 heeft Bartels hierop gereageerd en heeft een machtiging van J. Jongeneel ingediend.
3. De rechtbank kan aan de hand van de overgelegde machtiging niet vaststellen dat Bartels bevoegd is om namens [eiseres] beroep in te stellen.
4. Ter zitting heeft Bartels naar voren gebracht dat als de rechtbank iets mist, dit dan bij hem moet opvragen. Vervolgens gaf Bartels aan dat de BGHU zijn bezwaarschrift ongegrond heeft verklaard. Verder gaf Bartels aan, dat als hij geen machtiging bij verweerder had ingediend zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard zou worden.
Als laatst gaf Bartels aan dat de rechtbank duidelijk had moeten verzoeken om een machtiging van mevrouw [eiseres] . Verweerder gaf tijdens de zitting aan dat zij ook geen machtiging hebben ontvangen.
5. De rechtbank heeft Bartels twee keer gevraagd om een toereikende machtiging op te sturen. De rechtbank is van oordeel dat Bartels genoeg tijd heeft gehad om binnen de gestelde termijn de verzuim te herstellen. De door Bartels overgelegde machtiging is van een ander persoon dan [eiseres] . Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure geen toereikende machtiging is overgelegd, terwijl Bartels wel in de gelegenheid is gesteld om dat verzuim te herstellen. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk.
De overschrijding van de redelijke termijn
7. Bartels heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [eiseres] beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [eiseres] immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
Misbruik van procesecht
8. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft de rechtbank verzocht om eiseres in de proceskosten te veroordelen. De heffingsambtenaar beroept zich daarbij op het arrest van gerechtshof Den Haag van 16 januari 2024 [1] , waarin het gerechtshof de uitspraak van rechtbank Rotterdam heeft bekrachtigd waarin die rechtbank aanleiding zag om deze gemachtigde van eiseres in een procedure van een andere cliënt vanwege zijn procesgedrag in de proceskosten te veroordelen. De heffingsambtenaar wijst op soortgelijk procesgedrag van de gemachtigde van eiseres in deze zaak.
9. De rechtbank gaat daar niet in mee. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen partijen in de proceskosten veroordeeld kunnen worden. De gemachtigde van eiseres kan dus niet zelf veroordeeld worden in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is uitgesproken op 21 februari 2025
.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.