ECLI:NL:RBMNE:2025:1978

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2025
Publicatiedatum
25 april 2025
Zaaknummer
25/547
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot tijdige beslissing op bezwaar tegen kinderopvangtoeslagcompensatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn bezwaren van 28 juni 2023 tegen de definitieve beschikkingen omtrent compensatie kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming opzet/grove schuld. Verweerder heeft erkend dat de beslistermijn is overschreden en heeft een verweerschrift ingediend op 29 januari 2025.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen gebruik wilden maken van het recht tot mondelinge behandeling. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder in gebreke is gebleven met het nemen van een besluit binnen de wettelijke termijn.

De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van veertig weken na ontvangst van het verweerschrift vast, conform eerdere uitspraken en de gemiddelde doorlooptijd van bezwaarprocedures. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 5 november 2025 een besluit moet nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €50 per dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eiser (€453,50) en het betaalde griffierecht (€53).

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, stelt een nieuwe beslistermijn en legt een dwangsom op voor het niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/547

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. L. Nix),
en

Dienst Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaren van 28 juni 2023 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (UHT-DCHA) en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (UHT-O OGS B).
Op 29 januari 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. [1] Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 29 december 2023, ontvangen door verweerder op 4 januari 2024, is verweerder in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 16 januari 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaren.
3. Het beroep is gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de rechtbank op 25 oktober 2024 [4] uitspraak gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat bij eerste beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van veertig weken na het indienen van het verweerschrift realistisch is. Deze termijn sluit aan bij de gemiddelde doorlooptijd van 549 dagen die de bezwaarprocedure op dit moment bedraagt en de termijn die de rechtbank Rotterdam heeft bepaald in haar uitspraak van 15 juli 2024 [5] .
6. Het verweerschrift dateert van 29 januari 2025 en de uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is dus 5 november 2025.
7. In de uitspraak van 25 oktober 2024 heeft de rechtbank verder overwogen dat in zaken zoals deze een dwangsom zal worden bepaald van € 50,- per dag voor iedere dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijn niet haalt met een maximum van € 15.000,-. Er is, gezien de samenhang tussen de twee definitieve beschikkingen, geen aanleiding om per bezwaar een dwangsom te bepalen.
Proceskosten en griffierecht
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de, met besluiten gelijk te stellen, niet tijdig nemen van besluiten;
- draagt verweerder op uiterlijk 5 november 2025 de besluiten op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van
Mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.