AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijk beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar met toekenning dwangsom en proceskosten
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van 13 februari 2024 van de gemeente Hilversum. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke termijn van twaalf weken na het besluit op het bezwaar beslist, noch een verlenging aangevraagd. Eiser stelde verweerder op 8 mei 2024 in gebreke en diende op 5 juli 2024 beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in gebreke is gebleven en verklaart het beroep gegrond op grond van artikel 8:54 vanPro de Awb. Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt de reeds verstreken periode van 42 dagen sinds ingebrekestelling beoordeeld met een dwangsom van € 1.442,-. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 augustus 2024 tot volledige betaling. Verder moet verweerder het griffierecht en proceskosten van € 453,50 aan eiser vergoeden, inclusief wettelijke rente over deze bedragen vanaf vier weken na verzending van de uitspraak.
De rechtbank heeft geen zitting gehouden omdat dit niet nodig werd geacht. De uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink op 21 februari 2025 te Utrecht.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot het alsnog binnen twee weken nemen van een besluit, betaling van een dwangsom, wettelijke rente, proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4583
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum, verweerder,
(gemachtigde: A.H. Geytenbeek).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar.
Verweerder heeft – ondanks meerdere verzoeken – geen verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Het besluit waartegen bezwaar is ingesteld, is van 13 februari 2024. Eiser heeft op 14 maart 2024 zijn bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan binnen twaalf weken na het besluit een beslissing op het bezwaar bekend moet maken. Uit de gedingstukken volgt niet dat verweerder gebruik wilde maken van de mogelijkheid om de termijn te verlengen door middel van het inschakelen van een adviescommissie dan wel door middel van verdaging. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 7 mei 2024 een besluit op bezwaar bekend had moeten maken. De rechtbank stelt vast dat verweerder op deze datum niet heeft beslist op het bezwaar. Verweerder is op 8 mei 2024 in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 5 juli 2024, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
4. Het beroep is gegrond (artikel 8:54 vanPro de Awb).
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb).
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Bestuurlijke dwangsom
8. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiser. In artikel 4:17 vanPro de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb).
9. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke is.
Wettelijke rente
12. Eiser heeft gevraagd om wettelijke rente.
13. De rechtbank wijst dit toe. De bestuurlijke dwangsom ving aan op 23 mei 2024, zijnde twee weken na datum van de ingebrekestelling, en liep af op 4 juli 2024. Verweerder had de dwangsom uiterlijk op 18 juli 2024 moeten vaststellen en uiterlijk op 15 augustus 2024 aan eiser moeten betalen. Omdat verweerder dit niet heeft gedaan, is hij in verzuim en moet hij vanaf 16 augustus 2024 tot de datum waarop alles is betaald wettelijke rente aan eiser betalen.
Proceskosten en griffierecht
10. De rechtbank stelt tevens vast dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- veroordeelt verweerder om de wettelijke rente over dit bedrag aan eiser te betalen, vanaf 16 augustus 2024 tot de dag waarop het gehele bedrag is betaald;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten;
- bepaalt dat verweerder over het griffierecht en de proceskosten wettelijke rente is verschuldigd, vanaf het moment dat vier weken zijn verstreken na de dag van verzending van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
A.C. van de Biesebos, griffier .De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
21 februari 2025.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.