In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om het beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in Utrecht, vastgesteld op €1.281.000,- en na bezwaar verlaagd naar €1.035.000,-. Eiser betoogt dat de waarde te hoog is vastgesteld en voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met verschillen tussen zijn woning en de referentiewoningen.
De rechtbank beoordeelt de taxatiematrix van de heffingsambtenaar, waarin drie vergelijkbare woningen in dezelfde wijk worden vergeleken. De taxatiematrix houdt rekening met verschillen in perceeloppervlakte, ligging en staat van onderhoud. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Eiser voert verder aan dat de ligging van zijn woning slechter is en dat de referentiewoningen in een andere periode zijn verkocht. De rechtbank volgt dit niet, mede omdat de referentiewoningen binnen een jaar van de waardepeildatum zijn verkocht en de waardes zijn geïndexeerd. Ook het taxatierapport van eiser bevestigt de vastgestelde waarde eerder dan dat het deze betwist.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de vastgestelde WOZ-waarde van €1.035.000,- blijft gelden. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.