Eiseres, een kinderopvangorganisatie, kreeg een bestuurlijke boete opgelegd vanwege vier overtredingen van de Wet kinderopvang, waaronder het niet voldoende inzetten van beroepskrachten volgens de beroepskracht-kind ratio. Na bezwaar werd de boete door het college met 10% verlaagd tot €11.250. Eiseres stelde beroep in tegen het besluit en voerde aan dat zij tijdig adequate herstelmaatregelen had getroffen en dat de boete verder gematigd moest worden.
De rechtbank oordeelde dat hoewel geen nieuwe overtredingen waren geconstateerd, eiseres geen structurele herstelmaatregelen had genomen die een verdere matiging rechtvaardigen. De duur van de overtredingen werd bevestigd zoals vastgesteld door het college, waarbij het belang van de veiligheid en het welzijn van kinderen zwaar woog. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was overschreden, waardoor een matiging van 5% op de boete passend was.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover de boete werd vastgesteld op €11.250 en stelde de boete zelf vast op €10.687,50. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak werd gedaan door rechter G. Schnitzler op 21 mei 2025.