Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
nietmeegeteld. De CRvB oordeelde dat de regeling van artikel 5, vijfde lid van het Dagloonbesluit ook moet gelden voor de berekening van het dagloon voor de WIA. Het Uwv heeft vervolgens voor de maand maart 23 dagloondagen, mei 22 dagloondagen en tot en met 19 juni (3 dagloondagen in aanmerking genomen. Het totale sv-loon is € 2.101,93 : 58 = dagloon van € 36,24. Geïndexeerd met 23,69 % is het dagloon € 44,83.
geenregeling opgenomen voor herintreders, zoals dat wel het geval in artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit. Eiser heeft een loonloze periode in april 2022. Omdat eiser met de toepassing van artikel 5, vijfde lid van het Dagloonbesluit een hoger dagloon krijgt dan wanneer artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit wordt toegepast ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 3 oktober 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 18 februari 2025 ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat het Uwv aan eiser het betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
.Het dagloon van de werknemer die in de referteperiode geen loon als bedoeld in artikel 14 of Pro 15 heeft genoten is de uitkomst van de volgende berekening: