Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een WIA-uitkering waarvan het dagloon werd berekend door het totale loon in het refertejaar te delen door 261 dagen, inclusief loonloze periodes. Dit leidde tot een lager dagloon dan bij WW-uitkeringen, waar loonloze periodes buiten beschouwing worden gelaten. Appellante stelde dat dit onderscheid leidt tot discriminatie op grond van handicap.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde in hoger beroep dat het verschil in behandeling tussen WW- en WIA-gerechtigden niet objectief gerechtvaardigd is en in strijd met artikel 14 EVRM Pro en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol. De Raad stelde vast dat het onderscheid gebaseerd is op handicap en dat de beoordelingsmarge van de staat beperkt is.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, en bepaalde dat het Uwv binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen waarbij loonloze periodes buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van het WIA-dagloon. Tevens werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn en werden proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het Uwv moet het WIA-dagloon opnieuw berekenen zonder loonloze periodes mee te tellen, wegens strijd met het discriminatieverbod.