Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar van 22 augustus 2024 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de wettelijke beslistermijn overschreden, wat niet in geschil is. De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn als realistisch beschouwt.
De rechtbank bepaalt dat verweerder uiterlijk op 19 februari 2026 een besluit op bezwaar moet nemen. Voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres (€ 453,50) en het betaalde griffierecht (€ 53,-).
Partijen hebben afgezien van een zitting. De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich op 22 mei 2025 en in het openbaar uitgesproken. De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van het besluit en draagt verweerder op alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.