Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties;
- de mondelinge behandeling van 16 januari 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
2.De zaak in het kort
3.De achtergrond van de zaak
4.De beoordeling
€ 135,00
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft de vraag of het standaardkarakter van de cao voor het Beroepsgoederenvervoer zich verzet tegen een persoonlijke toeslag op het loon van de werknemer na een overgang van onderneming en of de afbouw van deze toeslag met cao-loonsverhogingen rechtsgeldig is. De werknemer, die sinds 1998 in dienst was bij verschillende ondernemingen binnen dezelfde groep, vordert nabetaling van een persoonlijke toeslag die door de werkgever is afgebouwd.
De werknemer trad in 1998 in dienst bij een bedrijf zonder cao, waarna per 1 januari 2014 een overgang van onderneming plaatsvond naar een werkgever die onder de cao valt. De werkgever kende een persoonlijke toeslag toe om het lagere cao-loon te compenseren, met een afbouwregeling gekoppeld aan cao-loonsverhogingen. Na meerdere overgangen binnen de groep bleef deze regeling van kracht.
De werknemer beroept zich op een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarin werd geoordeeld dat de afbouw in strijd was met artikel 7:663 BW Pro en richtlijn 2001/23. De kantonrechter oordeelt echter anders. Gelet op het standaardkarakter van de cao en het feit dat de werknemer geen loonsverhogingen zou hebben ontvangen zonder overgang, is de afbouwregeling niet onrechtmatig. De persoonlijke toeslag en de afbouw daarvan zijn rechtsgeldig, en de vorderingen tot nabetaling worden afgewezen.
De kantonrechter wijst ook de proceskosten toe aan de werknemer. Dit vonnis bevestigt dat persoonlijke toeslagen in het kader van overgang van onderneming kunnen worden toegekend en afgebouwd zonder strijd met de cao of wettelijke bepalingen, mits geen verslechtering van arbeidsvoorwaarden optreedt.
Uitkomst: De vorderingen tot nabetaling van de persoonlijke toeslag worden afgewezen omdat de afbouwregeling rechtsgeldig is.