Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 18 december 2023 tegen de definitieve beschikking kinderopvangtoeslag. De rechtbank had eerder op 1 augustus 2024 een termijn gesteld waarbinnen verweerder moest beslissen, maar verweerder heeft niet voldaan aan deze verplichting.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 3 juni 2024 is verstreken en dat verweerder tot op heden geen besluit heeft genomen. De rechtbank sluit zich aan bij de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025, waarin een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn als realistisch is aangemerkt.
Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk op 28 juli 2025 een besluit op bezwaar moet nemen. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het door haar betaalde griffierecht.