Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:2971

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 mei 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
11693295 UV EXPL 25-121
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 7:629 lid 3 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering wegens onrechtmatige loonstop tijdens re-integratie

Werknemer is sinds april 2024 ziek en ontvangt sinds 7 mei 2025 geen loon meer omdat werkgever stelt dat werknemer weigert passende werkzaamheden te verrichten. Werknemer vordert in kort geding doorbetaling van zijn loon vanaf die datum.

De kantonrechter oordeelt dat werknemer voldoende meewerkt aan zijn re-integratie, mede gelet op het advies van de bedrijfsarts en het arbeidsdeskundig onderzoek. De loonstop is daarom onrechtmatig. Werkgever moet het loon vanaf 7 mei 2025 doorbetalen, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente.

Daarnaast moet werkgever de proceskosten betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de vordering tot verklaring voor recht wordt afgewezen omdat dat niet in kort geding kan worden toegewezen.

Uitkomst: Werkgever moet loon vanaf 7 mei 2025 doorbetalen met wettelijke verhoging en rente omdat werknemer meewerkt aan re-integratie.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11693295 \ UV EXPL 25-121
Vonnis in kort geding van 30 mei 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.W. Lagerwaard,
tegen
de Europese naamloze vennootschap (SE)
[gedaagde] SE,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Duitsland),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E. Inden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1-9
- producties 1-6 van [gedaagde]
- producties 10-12 van [eiser]
- producties 7-8 van [gedaagde]
- productie 13 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 16 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde] .
1.2.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1959, is sinds 1 september 2017 in dienst bij [gedaagde] in de functie van [functie] bij het bedrijfsonderdeel Rechtshulp. Sinds 24 april 2024 is [eiser] ziek. Volgens [gedaagde] weigert [eiser] passende werkzaamheden te verrichten. [gedaagde] heeft het loon van [eiser] daarom stopgezet met ingang van 7 mei 2025. [eiser] vindt dat de loonstop onterecht is opgelegd. Zijn vordering in dit kort geding strekt tot doorbetaling van zijn loon vanaf 7 mei 2025.
2.2.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat [gedaagde] het loon van [eiser] op 7 mei 2025 niet mocht stopzetten. [eiser] heeft daarom recht op doorbetaling van zijn loon vanaf
7 mei 2025 zo lang hij meewerkt aan zijn re-integratie in overeenstemming met de conclusies uit het arbeidsdeskundig onderzoek van 12 mei 2025. Ook moet [gedaagde] de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het achterstallige loon betalen. De proceskosten komen eveneens voor rekening van [gedaagde] . De beslissing wordt hierna toegelicht.

3.De beoordeling

Toetsingskader kort geding
3.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in een kort gedingprocedure geen plaats is voor nader onderzoek of bewijslevering.
Spoedeisend belang is aanwezig
3.2.
[eiser] ontvangt sinds 7 mei 2025 geen loon. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven. [gedaagde] heeft dat belang ook niet betwist.
[gedaagde] mocht het loon op 7 mei 2025 niet stopzetten
3.3.
[gedaagde] mag in beginsel het loon stopzetten voor de tijd dat [eiser] geen passende arbeid verricht, terwijl hij daartoe wel in staat is. [1] [gedaagde] wordt niet gevolgd in haar stelling dat [eiser] sinds 7 mei 2025 zonder goede reden weigert om passende werkzaamheden te verrichten. Daartoe is het volgende van belang.
3.4.
De bedrijfsarts heeft op 18 februari 2025 geoordeeld dat werkhervatting vanaf
3 maart 2025 weer mogelijk zal zijn (2x2 uur per week) [2] . Op 15 april 2025 heeft de bedrijfsarts na een spreekuurafspraak met [eiser] geconstateerd dat de werkhervatting (nog) niet was gestart. De bedrijfsarts schrijft in de evaluatie:
“De uitkomst van het arbeidsdeskundig onderzoek zal meer duidelijkheid verschaffen over de mogelijkheden tot re-integratie. Derhalve adviseer ik om voorlopig de resultaten van dit onderzoek af te wachten alvorens verdere stappen te ondernemen” en “
Tegelijkertijd acht ik het van groot belang dat eventuele onderliggende knelpunten die de re-integratie belemmeren, tijdig en adequaat worden aangepakt. In dat kader adviseer ik om een mediationtraject te overwegen, zodat jullie daarbij professioneel kunnen worden ondersteund bij het vinden van passende en duurzame oplossingen [3] .
3.5.
De arbeidsdeskundige heeft partijen op 8 mei 2025 uitgenodigd voor het arbeidsdeskundig onderzoek. [gedaagde] heeft [eiser] opgeroepen om op 7 mei 2025 passende werkzaamheden te verrichten [4] . [eiser] wilde echter het gesprek met de arbeidsdeskundige op 8 mei 2025 afwachten. Dat standpunt is op grond van het advies van de bedrijfsarts van
15 april 2025 op voorhand niet onbegrijpelijk of onredelijk. Het mag zo zijn dat het arbeidsdeskundig onderzoek enige vertraging heeft opgelopen en dat [gedaagde] de re-integratie wilde opstarten omdat dat op grond van de Wet Poortwachter van haar wordt verlangd [5] , maar niet valt in te zien waarom dat dan een dag voor het arbeidsdeskundig onderzoek moest gebeuren. Partijen hebben er zelf voor gekozen om opvolging te geven aan de in het Inzetbaarheidsprofiel (IZP) van 4 maart 2025 genoemde mogelijkheid van een arbeidsdeskundig onderzoek én de bedrijfsarts heeft op 15 april 2025 geadviseerd om eerst de resultaten van dat onderzoek af te wachten
alvorens verdere stappen te ondernemenin de re-integratie.
3.6.
Partijen hebben ieder een andere visie op wat op dit moment passende re-integratiewerkzaamheden zijn en waar [eiser] die werkzaamheden kan gaan verrichten. Zo wil [eiser] re-integreren in zijn eigen functie op zijn eigen afdeling en hij heeft in dat verband bepaalde werkzaamheden genoemd die hij zou kunnen doen. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat die werkzaamheden de belastbaarheid van [eiser] overschrijden en dat die werkzaamheden niet voorhanden zijn. Het arbeidsdeskundig onderzoek zou juist over die verschillen van inzicht voor wat betreft de passende werkzaamheden uitsluitsel (gaan) geven. Ook is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter van belang dat er volgens de bedrijfsarts sprake is van ‘onderliggende knelpunten’ waarvoor [gedaagde] in lijn met het advies van de bedrijfsarts een mediation-traject is gestart. Partijen kunnen de verplichtingen die zij in het kader van de re-integratie over en weer hebben op grond van Wet Poortwachter verder uitwerken met behulp van een mediator.
In het licht van al deze omstandigheden, in samenhang bezien, kan op voorhand dan ook niet geoordeeld worden dat [eiser] zonder goede reden op 7 mei 2025 niet is gaan werken. [gedaagde] had het loon op die datum daarom niet stop mogen zetten.
Aankondiging op 15 mei 2025 dat loonstop gehandhaafd wordt treft vooralsnog geen doel
3.7.
De arbeidsdeskundige heeft in het (concept)rapport van 12 mei 2025 [6] geconcludeerd dat het eigen werk op basis van de huidige belastbaarheid niet passend is en ook niet structureel passend is te maken. De bedrijfsarts heeft verder op 13 mei 2025 het IZP bijgesteld [7] op grond waarvan [eiser] , in overleg met [gedaagde] moet verkennen welke mogelijkheden er zijn voor werkhervatting in aangepast werk, buiten de directe context van het arbeidsconflict. Gelet op het voorgaande bestaat er vooralsnog geen aanleiding om de conclusie uit het rapport van de arbeidsdeskundige in het bestek van deze procedure niet als uitgangspunt te nemen. Hoewel het een (tweede) concept rapport betreft is het tot stand gekomen na een recent gesprek met [eiser] en [gedaagde] . Bovendien adviseert de bedrijfsarts om vanaf 14 mei 2025 te starten met - zoals ook eerder geadviseerd - werkhervatting van 2 keer 2 uur per week en concludeert hij dat de arbeidsbelasting naar verwachting gelijk zal blijven. [eiser] is het eens met de beschrijving van deze belastbaarheid, zo staat in het advies van de bedrijfsarts.
3.8.
Op grond van het rapport van de arbeidsdeskundige van 12 mei 2025, in samenhang bezien met het bijgestelde IZP, lijkt re-integratie in de eigen functie - in ieder geval in de periode vanaf 7 mei 2025 - niet mogelijk te zijn. Wel is op dit moment voldoende aannemelijk dat de werkzaamheden die [gedaagde] heeft voorgesteld [8] passend zijn in het kader van de re-integratie. Van [eiser] mag daarom worden verwacht dat hij met ingang van
14 mei 2025 start met het verrichten van de hem voorgehouden werkzaamheden bij de afdeling Facility. Anders dan [gedaagde] heeft gesteld is niet aannemelijk geworden dat [eiser] die werkzaamheden niet wil verrichten. [eiser] heeft zich op 14 mei 2025 gemeld op de afdeling van de heer [A] en is aldaar gestart met de re-integratie. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] bovendien uitgesproken dat hij, onder protest maar uit coöperatieve overwegingen, meewerkt aan de door [gedaagde] aangeboden werkzaamheden op de afdeling Facility.
Conclusie
3.9.
Omdat onvoldoende aannemelijk is dat [eiser] niet meewerkt aan zijn re-integratie heeft [gedaagde] het loon vanaf 7 mei 2025 ten onrechte stop gezet.
3.10.
De vordering van [eiser] om de per 7 mei 2025 opgelegde loonsanctie onrechtmatig te verklaren en op te heffen wordt afgewezen. Toewijzing van die vordering zou immers betekenen dat een verklaring voor recht wordt gegeven en dat kan niet in kort geding.
3.11.
De vordering van [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld
‘tot doorbetaling van het volledige loon vanaf 7 mei 2025 tot het moment dat [eiser] volledig arbeidsgeschikt is conform het oordeel van de bedrijfsarts, waarna vanzelfsprekend het volledige loon voldaan dient te worden dan wel tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt’is te ruim geformuleerd om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen. Indien en voor zover [eiser] meewerkt aan zijn re-integratie in overeenstemming met de conclusies uit het onderzoek van de arbeidsdeskundige van 12 mei 2025 zal [gedaagde] het loon door moeten betalen.
3.12.
De kantonrechter kan geen concreet bedrag toewijzen, omdat het bedrag dat op dit moment openstaat aan achterstallig salaris niet is berekend. De loonvordering wordt daarom toegewezen als onder de beslissing is vermeld.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
3.13.
De niet tijdige betaling van het loon vanaf 7 mei 2025 is aan [gedaagde] toe te rekenen. Dit betekent dat zij op grond van artikel 7:625 BW Pro de wettelijke verhoging verschuldigd is. De wettelijke verhoging wordt bepaald op 50%. De kantonrechter ziet geen reden voor matiging. De wettelijke rente wordt ook toegewezen, omdat [gedaagde] te laat is met betaling van het loon.
Proceskosten
3.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,05
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.187,05
3.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen het loon vanaf 7 mei 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.187,05, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2025.
1257

Voetnoten

1.Artikel 7:629 lid 3 sub c van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Zie productie 2 van [gedaagde]
3.Zie productie 1 van [eiser]
4.Zie de e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en [eiser] , producties 1 van [gedaagde]
5.Zie correspondentie tussen [gedaagde] en [eiser] , productie 1 van [gedaagde]
6.Zie productie 7 van [gedaagde]
7.Zie productie 10 van [eiser]
8.Zie pagina 3 van het rapport van de arbeidsdeskundige, productie 7 van [gedaagde]