Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 30 augustus 2024. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, ondanks ingebrekestelling op 10 maart 2025. Eiseres stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder alsnog binnen een realistische termijn een besluit moet nemen. Gelet op een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wordt een termijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn gehanteerd, in dit geval tot uiterlijk 10 april 2026.
De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het overschrijden van deze termijn. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €453,50 en het betaalde griffierecht van €53 aan eiseres. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.