Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking kinderopvangtoeslag en stelde dat verweerder niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist. Verweerder werd op 11 februari 2025 in gebreke gesteld en eiseres diende op 15 april 2025 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen.
De rechtbank sluit zich aan bij een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bepaald dat een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn realistisch is. Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk op 25 maart 2026 een besluit op bezwaar moet nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding van €453,50 en het betaalde griffierecht van €53 wordt aan haar vergoed. De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van het besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.