Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met 11 producties
- de mondelinge behandeling van 13 juni 2025
2.De kern van de zaak
3.De achtergrond van de zaak
Non-Competition
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer, werkzaam bij de werkgever met een concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst, verzocht om schorsing van dit beding om per 1 augustus 2025 bij een concurrent te kunnen werken. De werkgever vorderde in reconventie een verbod voor de werknemer om voor de concurrent te werken gedurende de looptijd van het beding.
De kantonrechter oordeelde dat de functiewijzigingen van de werknemer niet ingrijpend en onvoorzienbaar waren, waardoor het concurrentiebeding geldig blijft. Bij de belangenafweging weegt het bedrijfsbelang van de werkgever zwaarder dan het carrièrebelang van de werknemer. De vordering tot schorsing werd daarom afgewezen.
Wel werd het verbod van de werkgever toegewezen, maar beperkt tot een periode van zes maanden, omdat na die periode het bedrijfsdebiet van de werkgever niet langer wordt geschaad. De dwangsom werd afgewezen omdat de werknemer verklaarde zich aan het vonnis te zullen houden. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Vordering tot schorsing concurrentiebeding afgewezen; verbod werken voor concurrent toegewezen voor zes maanden zonder dwangsom.