Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van 20 januari 2025 met bijlage A en B;
- de conclusie van repliek van 10 april 2025 met producties 5 tot en met 10.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser, een bedrijf, vordert betaling van € 748,20 van gedaagde wegens twee bestellingen bij haar webshop. Gedaagde betwist de vordering en stelt slachtoffer te zijn van identiteitsfraude.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bestellingen in januari 2024 door een fraudeur zijn geplaatst, mede omdat de aangifte van identiteitsfraude betrekking heeft op bestellingen uit 2014. Daarnaast zijn afleverbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de bestelde goederen bij het adres van gedaagde zijn afgeleverd en in ontvangst zijn genomen.
De kantonrechter wijst daarom de hoofdsom toe, evenals buitengerechtelijke incassokosten van € 112,23 en wettelijke handelsrente van € 76,69 tot 29 november 2024, met verdere rente vanaf die datum. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van in totaal € 937,12 plus proceskosten van € 793,89. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 937,12 plus proceskosten en wettelijke rente.