Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft niet binnen de wettelijke termijn op dit bezwaar beslist, waarna eiseres beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder op 20 januari 2025 in gebreke is gesteld. Eiseres heeft vervolgens tijdig beroep ingesteld. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op alsnog binnen een redelijke termijn een besluit te nemen.
De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als realistisch beschouwt. Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk 15 januari 2026 een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €453,50 en het betaalde griffierecht van €53 aan eiseres.