Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 24 oktober 2024 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden en dat eiseres het beroep tijdig heeft ingediend na ingebrekestelling op 29 april 2025.
De rechtbank oordeelt dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn een besluit moet nemen, aansluitend bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze hanteert een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn, met een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding, tot een maximum van € 15.000.
Verder wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt verweerder op uiterlijk 23 april 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken.
De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Vollebregt-Kuipers en is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2025. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift.