ECLI:NL:RBMNE:2025:3482

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
UTR 25/2352
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op verzoek herbeoordeling WIA-uitkering

De Stichting HilverZorg heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat het UWV niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op een verzoek om herbeoordeling van een WIA-uitkering. De rechtbank constateert dat het UWV te laat is met het nemen van een besluit en dat de ingebrekestelling tijdig is ontvangen. Hoewel het beroep pas na meer dan twee jaar is ingesteld, oordeelt de rechtbank dat dit niet onredelijk laat is gezien de bekende achterstanden bij het UWV en het feit dat eiseres meerdere malen telefonisch contact heeft gezocht.

De rechtbank bepaalt dat het UWV alsnog binnen vier maanden na verzending van de uitspraak een beslissing moet nemen. Deze termijn is gebaseerd op de omstandigheden waaronder het UWV kampt met een tekort aan verzekeringsartsen, waardoor de normale termijn van twee weken niet haalbaar is. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.

Verder veroordeelt de rechtbank het UWV tot betaling van de proceskosten aan eiseres, een bedrag van €453,50, en tot vergoeding van het griffierecht van €385,-. Het beroep wordt daarmee gegrond verklaard en het niet tijdig beslissen vernietigd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV moet binnen vier maanden alsnog een beslissing nemen onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2352

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2025 in de zaak tussen

Stichting HilverZorg, te Hilversum, eiseres

(gemachtigde: mr. J. van ‘t Veer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van mevrouw [naam] .

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar verzoek. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling ingediend 7 februari 2022. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 17 april 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling 14 april 2022 heeft ontvangen. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 2 april 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het onredelijk laat is ingediend. Eiseres heeft in de gronden van het beroep toegelicht dat zij begrip heeft voor de langdurige achterstanden bij het UWV. De rechtbank kan begrijpen dat eiseres niet direct juridische stappen heeft ondernomen omdat zij op de hoogte is van de achterstanden bij verweerder. Verder heeft eiseres meerdere keren telefonisch contact gezocht met het UWV om de stand van zaken op te vragen. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onredelijk laat ingesteld beroep. Het beroep is ontvankelijk.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [2] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het verzoek van eiseres.
8. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft
gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiseres
betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).