Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, waarop verweerder niet tijdig heeft beslist. Nadat verweerder in gebreke werd gesteld, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn was overschreden en dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn een besluit moet nemen.
De rechtbank verwijst naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als realistisch beschouwt. Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk 2 april 2026 een besluit op bezwaar moet nemen.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres krijgt een vergoeding van € 453,50 voor proceskosten en het betaalde griffierecht van € 53,- wordt aan haar vergoed. De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn te beslissen.