ECLI:NL:RBMNE:2025:3628

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
11387939 \ UC EXPL 24-7451
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over suppletie op arbeidsongeschiktheidsuitkering en vaststellingsovereenkomst

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 9 juli 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer en haar werkgever over de aanspraak op suppletie op de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De werknemer, die sinds 2001 arbeidsongeschikt is, vorderde een aanvulling op haar uitkering op basis van een pensioenregeling en een toezegging van de werkgever. De werkgever heeft echter betoogd dat de werknemer in een vaststellingsovereenkomst, die op 9 juni 2011 is gesloten, afstand heeft gedaan van haar aanspraak op suppletie. Tijdens de mondelinge behandeling op 28 mei 2025 zijn beide partijen verschenen, waarbij de werknemer werd bijgestaan door haar gemachtigde. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de werknemer in de vaststellingsovereenkomst expliciet heeft ingestemd met finale kwijting voor alle bestaande en toekomstige vorderingen. Hierdoor kon de kantonrechter niet anders dan de vorderingen van de werknemer af te wijzen. De kantonrechter heeft ook geoordeeld dat de werknemer onvoldoende feiten heeft aangedragen die de onaanvaardbaarheid van het beroep van de werkgever op de vaststellingsovereenkomst zouden rechtvaardigen. De werknemer is veroordeeld in de proceskosten van de procedure, die zijn vastgesteld op € 1.765.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11387939 UC EXPL 24-7451 JH/1050
Vonnis van 9 juli 2025
inzake
[eiser],
wonende te [plaats] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. L.H. Haarsma,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.J.P. Flipsen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met 20 producties en de conclusie van antwoord met 5 producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2025. [eiser] is verschenen, vergezeld door haar moeder en broer, en bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [gedaagde] is de heer [A] (HR directeur) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en mr. I. Arts. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Mr. Haarsma heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnotitie. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.3.
Op verzoek van partijen is de zaak vervolgens aangehouden om een regeling te bereiken. Op 11 juni 2025 heeft mr. Haarsma de kantonrechter laten weten dat dat niet is gelukt.
1.4.
Hierna is uitspraak bepaald.

2.De zaak in het kort

Tussen partijen heeft een arbeidsovereenkomst bestaan. [eiser] is tijdens het dienstverband arbeidsongeschikt geraakt en de arbeidsovereenkomst is met een vaststellingsovereenkomst beëindigd op 1 juli 2011. [eiser] stelt dat zij op grond van de tussen partijen overeengekomen pensioenregeling en een aan haar gedane toezegging recht heeft op een suppletie op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf juni 2001. Volgens [eiser] dient [gedaagde] die toezegging alsnog na te komen, althans de schade te vergoeden die zij lijdt als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] . [eiser] vordert daarom een verklaring voor recht dat zij aanspraak heeft op de suppletie, en de betaling van achterstallige en toekomstige suppleties. De kantonrechter zal die vorderingen afwijzen, omdat [eiser] in de vaststellingsovereenkomst (bewust) afstand heeft gedaan van haar aanspraak op suppletie. Ook de vorderingen van [eiser] tot voortzetting van de WAO-hiaatverzekering tot 8 augustus 2034 en uitruil van het nabestaandepensioen tegen levenslang ouderdomspensioen op basis van 100% zullen worden afgewezen. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze vorderingen en [eiser] heeft dit verweer niet weerlegd.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
[eiser] is op 5 december 1988 in dienst getreden bij [gedaagde] als consultant. In 2000 is zij arbeidsongeschikt geraakt en vanaf juni 2001 ontvangt zij een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.
3.2.
[eiser] heeft tijdens haar dienstverband deelgenomen aan de pensioenregeling van [gedaagde] . [gedaagde] had haar pensioentoezeggingen over de periode van 26 januari 1993 tot 1 januari 2003 verzekerd bij Zwitserleven. In 2003 heeft [gedaagde] het contract bij Zwitserleven afgekocht en in eigen beheer van Stichting [gedaagde] flexpensioen gebracht. In 2006 is Interpolis (Centraal Beheer Achmea) uitvoerder geworden.
3.3.
In een brief van 1 juni 2001 heeft [gedaagde] [eiser] laten weten dat zij van de pensioenverzekering Zwitserleven een uitkering van 10% van het jaarinkomen ontvangt zolang haar arbeidsongeschiktheid voortduurt. De arbeidsongeschiktheid van [eiser] is niet gemeld tijdens de looptijd van het contract bij Zwitserleven en [eiser] heeft de suppletie nooit ontvangen.
3.4.
Op 8 november 2004 heeft [eiser] aanspraak gemaakt op uitbetaling van de suppletie. Vanaf dat moment is hierover door partijen gecorrespondeerd, soms met tussenpozen van jaren.
3.5.
Partijen hebben op 9 juni 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2011 is beëindigd en waarin bepalingen zijn opgenomen over pensioenaanspraken van [eiser] en finale kwijting.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter zal eerst de vorderingen betreffende de suppletie beoordelen en daarna de overige vorderingen.
Suppletie
4.2.
[eiser] stelt dat zij jegens [gedaagde] vanaf juni 2001 recht heeft op een aanvulling op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering van 10% zolang haar arbeidsongeschiktheid voortduurt. [eiser] heeft laten berekenen dat deze suppletie neerkomt op een bedrag van
€ 3.276,59 per jaar. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst [eiser] onder meer naar de toezegging die hierover door [gedaagde] aan haar is gedaan in de brief van 1 juni 2001. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] nagelaten deze pensioentoezegging onder te brengen en/of correct uit te (laten) voeren. [gedaagde] heeft tegen de vordering zowel formele als inhoudelijke verweren gevoerd.
4.3.
De kantonrechter stelt voorop dat partijen op grond van artikel 21 Rv verplicht zijn om in een procedure de feiten die voor de beslissing van de rechter van belang zijn, volledig en naar waarheid aan te voeren. De kantonrechter betwijfelt of hij in dit geval volledig door partijen is ingelicht, maar is zich ervan bewust dat partijen hiertoe door het tijdsverloop in deze zaak wellicht niet meer in staat zijn. Dat de gegevensverstrekking door [gedaagde] niet de schoonheidsprijs verdient, staat wel vast. Eerst op de zitting heeft [gedaagde] namelijk het verweer gevoerd dat de suppletie van 10% geen onderdeel is van de pensioenregeling en niet met [eiser] is overeengekomen. In de conclusie van antwoord is dit verweer niet (onder 1.3) opgenomen of uitgewerkt. De kantonrechter heeft evenwel geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] dit weloverwogen en doelbewust heeft gedaan, er zal er daarom geen consequenties aan verbinden.
4.4.
Anders dan [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat uit de brief van 1 juni 2001 en uit de pensioenreglementen wél kan worden afgeleid dat [eiser] recht had op een suppletie van 10% op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering. In de brief van 1 juni 2001 heeft [gedaagde] [eiser] immers zonder voorbehoud meegedeeld dat zij recht heeft op deze aanvulling. Dit sluit aan bij de informatie die aan [eiser] is verstrekt in het informatieboekje over het pensioenreglement uit 1996 (productie 17 van [eiser] ) en bij de inhoud van het pensioenreglement van 17 april 2000 (productie 18 van [eiser] ). In dat pensioenreglement staat in artikel 5:

Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt (…) uitgekeerd indien en zolang de deelnemer recht heeft op een uitkering uit hoofde van de W.A.O. doch uiterlijk tot de normale pensioendatum.”Dat hiermee de WAO-hiaatverzekering is bedoeld, zoals [gedaagde] stelt, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden vastgesteld. De kantonrechter acht dit ook niet zonder meer aannemelijk, nu voor de WAO-hiaatverzekering een addendum bij het pensioenreglement is opgesteld.
4.5.
Het voorgaande betekent echter niet dat [eiser] ook nu nog aanspraak kan maken op de suppletie. Partijen hebben namelijk op 9 juni 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin hierover nadere afspraken zijn gemaakt. Op grond van die afspraken moet de vordering worden afgewezen. De kantonrechter zal dit hierna toelichten.
4.6.
In de vaststellingsovereenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat er geen sprake is van een aanvulling op het loon in het kader van arbeidsongeschiktheid. In de vaststellingsovereenkomst hebben partijen elkaar bovendien finale kwijting verleend voor alle bestaande en toekomstige vorderingen, direct of indirect voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst. [eiser] heeft niet weersproken dat zij haar handtekening en parafen onder de vaststellingsovereenkomst heeft gezet. Die ondertekening duidt erop dat [eiser] afstand heeft gedaan van haar aanspraak op suppletie.
4.7.
[eiser] heeft gesteld dat zij de vaststellingsovereenkomst niet alleen heeft ondertekend en geparafeerd, maar ook heeft voorzien van de handgeschreven tekst: “
Getekend voor gezien. Zie bijlage.”. In de bijlage heeft zij zich akkoord verklaard met de vaststellingsovereenkomst, met uitzondering van (onder meer) de bepaling dat er geen sprake is van een aanvulling op het loon in het kader van arbeidsongeschiktheid en de bepaling over finale kwijting. [eiser] heeft op de zitting toegelicht dat zij het door haar voor gezien getekende exemplaar met bijlage aan [gedaagde] heeft gestuurd. Omdat [gedaagde] niet heeft gereageerd op de inhoud van de bijlage, ging [eiser] ervan uit dat [gedaagde] de door haar in de bijlage opgenomen aanvullende voorwaarden had geaccepteerd.
[gedaagde] stelt dat [eiser] de vaststellingsovereenkomst voor akkoord heeft getekend en dat de bijlage hiervan geen deel uitmaakt. De bijlage is niet door [gedaagde] ondertekend en eerst bij dagvaarding door [gedaagde] ontvangen.
4.8.
De kantonrechter stelt vast dat in het dossier twee versies zitten van de vaststellingsovereenkomst. De versies zijn geen kopieën van elkaar en de kantonrechter beschikt niet over de originelen. De inhoud van de beide versies komt overeen, maar de ondertekening niet. [eiser] heeft een versie overgelegd met de handgeschreven toevoeging “
getekend voor gezien” en met een bijlage. [gedaagde] heeft een versie overgelegd met de handtekeningen van partijen, zonder de toevoeging en zonder verwijzing naar een bijlage. Nu er twee versies bestaan van de vaststellingsovereenkomst, ligt het op de weg van [eiser] om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat zij de door haar in het geding gebrachte versie van de vaststellingsovereenkomst aan [gedaagde] heeft gestuurd. [eiser] heeft op de zitting aangegeven dat zij op dit punt een bewijsprobleem heeft, maar dat haar moeder wel zou kunnen verklaren dat zij wist dat het heel belangrijk voor [eiser] was en dat zij de post destijds voor [eiser] heeft weggebracht. De kantonrechter gaat aan dit bewijsaanbod voorbij, omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat de moeder van [eiser] iets kan verklaren over de wijze van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst door [eiser] en de inhoud van de door haar geposte enveloppe. Dit leidt ertoe dat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] de door haar in het geding gebrachte versie met voorbehouden daadwerkelijk aan [gedaagde] heeft gezonden.
4.9.
De kantonrechter stelt bovendien vast dat in de door [eiser] opgestelde bijlage op essentiële punten wordt afgeweken van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst. Het is niet aannemelijk dat [gedaagde] daar niet op zou hebben gereageerd als de vaststellingsovereenkomst aan haar was gezonden op de manier zoals door [eiser] is gesteld. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt namelijk dat partijen al jaren van mening verschilden over de vraag of [eiser] recht had op een suppletie op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering. [eiser] werd in dit geschil bijgestaan door een gemachtigde. Tijdens de onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst heeft de (toenmalige) gemachtigde van [eiser] dit geschilpunt ook expliciet aan de orde gesteld in een brief van 3 februari 2010.
Hoewel [eiser] op het moment van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst in juni 2011 geen juridische bijstand meer had, heeft de kantonrechter geen aanleiding om aan te nemen dat zij zich niet bewust was van de (financiële) consequenties van de in die overeenkomst opgenomen afspraken. In tegendeel, uit de stellingen van [eiser] valt juist af te leiden dat zij de inhoud en de consequenties hiervan begreep.
4.10.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de vorderingen die betrekking hebben op de suppletie moeten worden afgewezen, omdat [eiser] daar in de vaststellingsovereenkomst (bewust) afstand van heeft gedaan. De stelling van [eiser] dat het beroep van [gedaagde] op de vaststellingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gaat niet op. Uit vaste rechtspraak volgt dat de drempel voor ‘onaanvaardbaarheid’ hoog is. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die deze conclusie rechtvaardigen.
Overige vorderingen
4.11.
[eiser] heeft bij dagvaarding ook vorderingen ingesteld die betrekking hebben op de WAO-hiaatverzekering en het nabestaandepensioen. Zo vordert zij (kort gezegd) voortzetting van de WAO-hiaatverzekering tot 8 augustus 2034 en uitruil van het nabestaandepensioen tegen levenslang ouderdomspensioen op basis van 100%. Hoewel [eiser] deze vorderingen niet formeel heeft ingetrokken, begrijpt de kantonrechter uit het gestelde op de mondelinge behandeling dat zij de onderbouwing van die vorderingen (in ieder geval voor een deel) niet langer handhaaft. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen. Nu [eiser] hier niet op heeft gereageerd en het verweer dus niet heeft weerlegd, worden de vorderingen afgewezen.
4.12.
Nu de hoofdvorderingen worden afgewezen, is er geen grond voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten. Ook die vordering wordt afgewezen.
Proceskosten
4.13.
[eiser] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure. Aan de kant van [gedaagde] bedragen die kosten € 1.765, bestaande uit
€ 1.630 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 815) en € 135 aan nakosten.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.765, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025.