Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar van 15 november 2024 tegen de definitieve beschikking kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de beslistermijn overschreden en is op 7 mei 2025 in gebreke gesteld. Eiseres heeft vervolgens tijdig beroep ingesteld.
De rechtbank stelt vast dat het beroep gegrond is en dat verweerder alsnog een besluit moet nemen. De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn realistisch acht, tenzij deze termijn al verstreken is, waarna een termijn van twee weken geldt.
In deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk op 22 mei 2026 een besluit op bezwaar moet nemen. Voor elke dag overschrijding van deze termijn is een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres en het griffierecht.
De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich en griffier E.J.H.C. Hui, waarbij de griffier verhinderd was de uitspraak te ondertekenen. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken.