ECLI:NL:RBMNE:2025:3805

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
UTR 25/1973
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechter wijst beroep toe wegens niet tijdig beslissen op bezwaar kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, ondanks meerdere verzoeken en ingebrekestelling. De rechtbank oordeelt dat eiseres haar bezwaargronden tijdig heeft aangevuld en dat verweerder verplicht is alsnog binnen een redelijke termijn te beslissen.

De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en stelt een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak vast waarbinnen verweerder een besluit moet nemen. Voor elke dag overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van €100,- opgelegd, met een maximum van €15.000,-.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twee weken een besluit op bezwaar te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1973

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Sala),
en

Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 19 oktober 2023 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Op 19 maart 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
2. Verweerder stelt zich in zijn verweerschrift van 19 maart 2025 op het standpunt dat eiseres heeft nagelaten de gronden van ingediende pro bezwaar aan te vullen en dat eiseres hiertoe alle gelegenheid heeft gehad. Verweerder heeft eiseres namelijk meerdere brieven gestuurd, gedateerd 5 februari 2024, 26 april 2024 en 19 februari 2025, waaruit bleek dat het bezwaarschrift moest worden aangevuld. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is om die reden volgens hem niet-ontvankelijk.
3. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Uit de overgelegde stukken van eiseres blijkt namelijk dat zij haar bezwaargronden op 18 maart 2024 aangetekend heeft verstuurd naar het postadres van verweerder. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard, nu de track&trace code van deze verzending door het verstrijken van de tijd niet meer te achterhalen is, niets te hebben vernomen van PostNL over het niet kunnen aanbieden van het poststuk. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de bezwaargronden zijn ontvangen door verweerder. De rechtbank merkt daarnaast op dat de ingebrekestelling naar hetzelfde postadres is verstuurd. Deze is door verweerder ontvangen en opgevolgd door een dwangsombeschikking met datum 14 november 2024.
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar gronden tijdig heeft aangevuld en dat verweerder dient te beslissen op het ingediende bezwaar van eiseres.
5. Nu verweerder bij brief van 16 september 2024 in gebreke is gesteld en het vast staat dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiseres, zal de rechtbank het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar ontvankelijk en gegrond verklaren.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
6. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
7. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025 [3] uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel van de Afdeling en hoe zij hiertoe is gekomen. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling.
8. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Verweerder heeft de definitieve beschikking op 31 maart 2023 genomen. De beslistermijn om op het bezwaar te beslissen is aangevangen na ontvangst van de aanvullende gronden gedateerd 18 maart 2024 en is inmiddels verlopen. Sindsdien zijn meer dan 60 weken verstreken. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.
9. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn volgens het beleid van de rechtspraak het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken. De rechtbank volgt op dit punt dus niet het bedrag van € 250,- met een maximum van € 37.500,-, zoals in de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 is voorgesteld, omdat de rechtbank van oordeel is dat het hiervoor genoemde beleid daar niet toe noopt. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar kort gezegd een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiseres rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.
Proceskosten en griffierecht
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 907,-.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2025.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.