ECLI:NL:RBMNE:2025:3882
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Wambeke
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen terugvordering en boete WW-uitkering door UWV
Eiser ontving een WW-uitkering van februari tot december 2018. Het UWV besloot in juni 2019 de uitkering te herzien, een bedrag van €12.831,91 terug te vorderen en een boete van €6.415,95 op te leggen wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiser maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. In juni 2022 verzocht eiser om herziening met nieuwe bewijsstukken, maar het UWV wees dit in januari 2024 af en bleef bij dit standpunt in het bestreden besluit van november 2024.
De rechtbank oordeelt dat artikel 4:6 Awb Pro toepasselijk is op het ambtshalve genomen besluit van het UWV en dat de aangevoerde bewijsstukken geen nieuw gebleken feiten zijn omdat deze al bestonden voor het eerdere besluit van december 2019. Eiser kon deze stukken ook eerder aanleveren, ondanks zijn psychische problemen en moeizaam contact met zijn boekhouder.
De rechtbank vindt het besluit van het UWV zorgvuldig en goed gemotiveerd en ziet geen sprake van evident onredelijkheid. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV tot herziening, terugvordering en boete van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.