Appellant, die sinds 2006 bijstand ontvangt, vroeg in 2011 langdurigheidstoeslag aan over de jaren 2008 tot en met 2011. Het college kende de toeslag toe voor 2010 en 2011, maar stelde de aanvraag over 2008 en 2009 buiten behandeling omdat appellant niet de gevraagde gegevens van het UWV verstrekte. Appellant diende in 2020 een verzoek tot herziening in, dat door het college werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren en het verzoek te laat was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant voerde aan dat er wel nieuwe feiten waren, omdat het UWV destijds de gevraagde gegevens niet kon verstrekken, en dat het college het besluit onmiskenbaar onjuist had genomen door niet zelf de gegevens op te vragen. Ook stelde appellant dat hij onterecht niet was gehoord en dat het evenredigheidsbeginsel was geschonden.
De Raad oordeelde dat de aangevoerde brieven van het UWV en eerdere jurisprudentie geen nieuwe feiten vormen, omdat appellant destijds had kunnen aanvoeren dat het UWV de gegevens niet kon leveren. De stelling dat het college zelf de gegevens had moeten opvragen maakt het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist. Hoewel appellant ten onrechte niet is gehoord, is niet aannemelijk dat hij daardoor is benadeeld. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel was onvoldoende onderbouwd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Wel veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.