In deze zaak heeft de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Midden-Nederland op 29 juli 2025 uitspraak gedaan over de vordering van het Openbaar Ministerie tot onttrekking aan het verkeer van een voertuig en een kilometerblocker. De vordering was gebaseerd op artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering. De betrokkene, een B.V., was eigenaar van een Seat Arona, waarvan de kilometerstand gemanipuleerd was door een kilometerblocker. De auto was op 27 september 2024 in beslag genomen, en de kilometerblocker was op 10 oktober 2024 ontdekt en in beslag genomen. De officier van justitie vorderde onttrekking aan het verkeer van beide goederen, stellende dat het ongecontroleerde bezit van de kilometerblocker en de auto in strijd was met de wet en het algemeen belang. De betrokkene verzet zich tegen de onttrekking van de auto, maar niet tegen de kilometerblocker.
De raadkamer heeft vastgesteld dat de kilometerblocker inderdaad in strijd is met het algemeen belang en heeft de vordering tot onttrekking daarvan toegewezen. Echter, met betrekking tot de auto oordeelde de raadkamer dat het ongecontroleerde bezit van de auto, na verwijdering van de kilometerblocker, niet in strijd is met de wet of het algemeen belang. De raadkamer concludeerde dat de vordering tot onttrekking van de auto moest worden afgewezen, omdat het bezit van de auto in zijn huidige staat geen gevaar voor de verkeersveiligheid opleverde en niet voldoende inbreuk maakte op de integriteit van het handelsverkeer. De beslissing werd genomen met inachtneming van de relevante wetgeving en de argumenten van beide partijen.