Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag en stelde dat verweerder niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist. Verweerder werd op 8 mei 2025 in gebreke gesteld en eiseres diende vervolgens op 27 mei 2025 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn een besluit moet nemen. De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn als realistisch beschouwt.
Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk op 14 mei 2026 een besluit op bezwaar moet nemen. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. Verder wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €453,50 en het betaalde griffierecht van €53 aan eiseres.