Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de beslistermijn overschreden, hetgeen niet in geschil is. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 13 maart 2025 in gebreke is gesteld en dat het beroep tijdig is ingediend.
De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen een realistische termijn een besluit moet nemen. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, tenzij deze termijn al is verstreken, waarna een termijn van twee weken geldt. Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk 26 februari 2026 een besluit op bezwaar moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres ad € 453,50 en tot vergoeding van het griffierecht van € 53,-. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.