Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een definitieve beschikking kinderopvangtoeslag en stelt dat verweerder niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder in gebreke is gesteld. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daardoor gegrond.
De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn, vastgesteld op 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, een besluit moet nemen. Dit betekent dat uiterlijk 12 mei 2026 een besluit op bezwaar bekend moet zijn gemaakt. Voor iedere dag dat deze termijn wordt overschreden, moet verweerder een dwangsom van € 100,- betalen, met een maximum van € 15.000,-.
Verder wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50, en tot terugbetaling van het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,-. De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak over de redelijke beslistermijn en de toepassing van de dwangsomregeling.