Eiseres heeft beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op haar bezwaar tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank had bij een eerdere uitspraak een termijn gesteld waarbinnen verweerder een besluit moest nemen, maar deze termijn is inmiddels verstreken zonder dat een besluit is genomen.
De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als realistisch beschouwt. In deze zaak zijn meer dan zestig weken verstreken sinds het einde van de beslistermijn, waardoor verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. De rechtbank acht een hogere dwangsom niet nodig vanwege het ontbreken van weigerachtigheid en het belang van eiseres. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht.
De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler en uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2025.