ECLI:NL:RBMNE:2025:4378
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het recht op ZW- en WW-uitkering na beëindiging dienstverband tijdens ziekte
Eiser, voormalig vrachtwagenchauffeur, beëindigde zijn arbeidsovereenkomst per 1 mei 2024 terwijl hij ziek was. Het UWV stelde de ZW-uitkering op nul en weigerde uitbetaling vanwege de benadelingshandeling. Tevens werd de eerder toegekende WW-uitkering ingetrokken omdat eiser ziek uit dienst was gegaan.
Eiser betoogde dat hij niet kon voldoen aan re-integratieverplichtingen door lichamelijke en psychische klachten en dat het UWV onvoldoende rekening hield met de lange duur van de beoordeling en de mogelijkheid om kosten via de werkgever te verhalen. De rechtbank stelde vast dat volgens vaste jurisprudentie sprake is van een benadelingshandeling bij het beëindigen van een dienstverband tijdens ziekte, tenzij sprake is van ernstige psychische problemen of onredelijke re-integratieverplichtingen.
De verzekeringsarts concludeerde dat er geen medische noodzaak was voor ontslag tijdens ziekte en dat eiser de re-integratieverplichtingen had moeten voorleggen aan een bedrijfsarts. De rechtbank vond geen aanwijzingen voor ernstige psychische problemen die het sluiten van de vaststellingsovereenkomst onaanvaardbaar maken. De beroepsgronden over de procedureduur en het verhalen van kosten werden verworpen.
Ten aanzien van de WW-uitkering oordeelde de rechtbank dat de uitsluitingsgrond van toepassing is en dat het UWV op basis van nieuwe feiten bevoegd was eerdere beslissingen te herzien. De beroepen van eiser werden ongegrond verklaard en hij kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering niet uitkeert en de WW-uitkering weigert.