Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2023, die is vastgesteld op €2.174.000,-. De heffingsambtenaar baseert de waarde op een taxatiematrix met vergelijkingswoningen uit de omgeving. Eiser vordert een lagere waarde van €1.499.000,-.
De rechtbank beoordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De referentiewoningen zijn voldoende vergelijkbaar en de taxatiematrix houdt rekening met verschillen. Eiser's stellingen zijn onvoldoende concreet en onderbouwd.
Een verzoek om heropening van het onderzoek wegens te late zittingsuitnodiging wordt afgewezen omdat eiser geen procesbelang heeft aangetoond en voldoende gelegenheid had zich voor te bereiden. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat de bezwaar- en beroepsfase samen nog geen twee jaar hebben geduurd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst alle overige verzoeken af. De uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink op 8 augustus 2025.